Naar de inhoud
ALQUARIUM Vraag het Alquarium

Vissen

Guppen voeren: hij is geen insecteneter

Twee gezaghebbende bronnen noemen de gup een insecteneter. Vier veldmetingen aan maag- en darminhoud laten iets anders zien: per plek en per seizoen gaat het alle kanten op, en wat eruit komt is een opportunistische alleseter. Dat is geen woordenspel, want het bepaalt wat er op het menu hoort. En hoe vaak per dag? LICG zegt één keer, een winkelketen drie, en geen van beide legt uit waarom.

24 min lezen

1× per daghoe vaak LICG adviseert te voereneen winkelketen en een hobbysite houden het op drie keer, zonder bron; drie tot vijf keer is het regime uit de commerciële kwekerij [literatuurrichtlijn, LICG en Türkmen & Karadal 2017]
1-2 minutende enige portiemaat die thuis werktzoveel als ze in die tijd opeten, resten eruit [literatuurrichtlijn, LICG]; narekenen geeft 0,03 tot 0,3 gram per dag voor acht volwassen dieren — een factor tien breed en niet te wegen [eigen omrekening uit gemeten waarden]
79 % algenin 2.400 wilde magen in Lagosaandeel van alle getelde deeltjes; in Sri Lanka juist 41 procent zoetwaterresten en in Trinidad bij veel roofvis 70 procent ongewervelden [gemeten, Lawal e.a. 2012; Pethiyagoda e.a. 2021; Zandonà e.a. 2015]
92 tegen 57 mgeindgewicht met en zonder 5 % spirulinajonge dieren na 30 dagen, plus significant meer kleur; 5 procent chlorella gaf alleen de kleur [gemeten, Perera e.a. 2024]

In het kort

  • Eén keer per dag is genoeg om een gezelschapsbak op peil te houden, en de portie is de knop: zoveel als er in één tot twee minuten op is, en wat blijft liggen gaat eruit. [literatuurrichtlijn, LICG] Drie tot vijf keer per dag is het regime uit de commerciële kwekerij; dat de winkeladviezen precies op dat kwekerijgetal uitkomen is mijn lezing en staat in geen bron. [praktijkregel]
  • Voor acht volwassen guppen gaat er ergens tussen een paar korrels en een pinknagel vol voer per dag in. Dat getal is een factor tien breed en weegt geen keukenweegschaal, en daarom is de zichtbare maat van één tot twee minuten de enige die thuis werkt. [eigen omrekening uit gemeten waarden]
  • Vier veldmetingen aan maag- en darminhoud zetten "insecteneter" opzij: het is een opportunistische alleseter. In Lagos was 79 procent van alle getelde deeltjes alg, in Brazilië was detritus meestal de hoofdmoot, en in twee Trinidadse rivieren liep het aandeel ongewervelden van 10 tot 70 procent, afhankelijk van de roofvisdruk. [gemeten]
  • Vijf procent spirulina in het voer gaf jonge guppen een eindgewicht van 92 tegen 57 milligram, ruim anderhalf keer zo zwaar, plus meer kleur. Chlorella gaf alleen de kleur. De auteurs schrijven dat toe aan het aminozuurprofiel van spirulina, niet aan "iets plantaardigs". [gemeten]
  • Over de vastendag ligt wél een meting bij deze soort, en die pleit er niet voor: zestien weken om de dag of om de twee dagen eten kostte groei, kostte jongen, en liet de overleving van 91,7 naar 61,7 procent zakken. [gemeten]

Wat betekent dit voor jouw bak?

Alquarium leest dit artikel mee en denkt met je mee over jouw aquarium. Gratis, geen account nodig.

Bij guppen loopt het advies over de voerbeurten een factor drie uiteen, afhankelijk van wie je het vraagt. Hoeveel guppen zwemmen er bij jou, en wat gaat er per dag in?

  • Of begin hiermee:

Eén keer per dag, en de portie is de knop

Twee adviezen over hoe vaak je guppen te eten geeft lopen een factor drie uiteen, en de markt husselt ze door elkaar.

LICG houdt het op één keer per dag, zoveel als de vissen in één tot twee minuten opeten, en schrijft erbij dat voerresten weg moeten omdat ze het water vervuilen. [literatuurrichtlijn, LICG] Winkelketen Tom&Co adviseert drie keer per dag kleine hoeveelheden, waarvan alles op moet zijn in vijf minuten. GuppyClub.nl houdt het ook op drie keer per dag een klein beetje. Geen van beide noemt een bron. [praktijkregel] Die vijf minuten neem ik niet over: dan ligt er voer op de bodem voordat het op is.

Waar komt dat verschil vandaan? Eén bron zet allebei de regimes naast elkaar, in de inleiding van een Turks voedingsonderzoek: in de commerciële guppenkwekerij wordt drie tot vijf keer per dag gevoerd, terwijl voor de hobbyhouder één keer per dag wordt aanbevolen. [literatuurrichtlijn, Türkmen & Karadal 2017, die Harpaz e.a. 2005 aanhalen; die laatste heb ik niet zelf geopend] Meer zegt die bron niet. Dat de winkeladviezen uitgerekend op datzelfde kwekerijgetal uitkomen is opvallend, maar geen enkele bron legt dat verband — dat is mijn lezing. [praktijkregel] In een kwekerij is groeisnelheid het doel. In jouw bak is dat het niet.

Eén gepubliceerd experiment legt die frequenties bij guppen naast elkaar: honderdtwintig jonge guppen van dertig dagen oud, zestig dagen lang, tien per bakje van drie liter, drie herhalingen per behandeling, commercieel korrelvoer. Dezelfde proef deed tegelijk precies hetzelfde met Siamese vechtvissen; hieronder staan alleen de guppencijfers. Waarden zonder gemeenschappelijke letter verschillen binnen hun kolom significant (P < 0,05).

Maaltijden per dag Groei-index gewicht Groei-index lengte Voer per gram groei Conditiefactor Overleving
1 4,010 bc 1,370 a 7,50 a 3,83 b 100 %
2 3,751 a 1,720 b 20,47 c 2,08 a 100 %
3 3,866 ab 1,843 b 21,44 c 2,09 a 100 %
4 4,119 c 1,869 b 15,88 b 2,17 a 100 %

Die eerste twee kolommen heten in de bron groeisnelheid, maar de formule eronder is log(eindgewicht − begingewicht) gedeeld door de looptijd, maal honderd. Dat is de logaritme van een vérschil en geen percentage per dag: de uitkomst hangt af van de eenheid waarin je rekent, en is niet vergelijkbaar met de groeisnelheid in de spirulinatabel verderop. Alleen de volgorde en de letters zijn bruikbaar — vandaar "groei-index".

En dan staat er iets minder netjes dan "vaker is beter". Twee maaltijden per dag gaven de laagste gewichtsindex van de vier, significant lager dan één en dan vier. Op lengte groeide elke groep die vaker dan één keer at significant harder. Op voerverbruik was één maaltijd veruit het zuinigst. In geen enkele groep ging een gup dood, terwijl de vechtvissen in diezelfde proef op 50 tot 70 procent overleving uitkwamen. [gemeten, Norazmi-Lokman e.a. 2020]

Lees die voerkolom als onderlinge verhouding en niet als rendement. In dezelfde proef zaten de vechtvissen op 1,5 tot 2,3 gram voer per gram groei, en de Turkse proef verderop meet bij déze soort 1,28 tot 2,06. [gemeten, Norazmi-Lokman e.a. 2020 en Türkmen & Karadal 2017] Hier staat 7,5 tot 21,4. Wat dat ook is, een benutting is het niet.

Praktisch: één eetmoment per dag houdt een gezelschapsbak op peil. [praktijkregel] Dat de tabel twee maaltijden als slechtste gewichtsindex aanwijst, poets ik niet weg: die proef stuurde op maximale groei bij jonge dieren in drie liter, en daar stuur jij thuis niet op. Wil je wél maximale groei bij jonge dieren, dan is twee keer per dag aantoonbaar beter op lengte [gemeten, Norazmi-Lokman e.a. 2020]; dat regime staat uitgeschreven bij de opkweek van guppenjongen. Zwemmen er jongen tussen je volwassen dieren — bij deze soort eerder regel dan uitzondering — verander dan niet het dagtotaal maar de verdeling, en verkruimel een deel fijner. [praktijkregel]

Het tijdstip is nergens gemeten [hiaat], maar LICG vraagt wel om een vast dagpatroon: kies een moment en houd het aan, en voer met de kap aan, want alleen dan zie je wat er blijft liggen. [literatuurrichtlijn, LICG] Loopt de bak warm, dan gaat de stofwisseling omhoog en daarmee de behoefte [praktijkregel] — maar richting dertig graden draait dat om en is mínder geven juist het advies; waarom, staat bij de temperatuur voor guppen.

Hoeveel er in gaat, en waarom je dat niet kunt wegen

De zichtbare maat van LICG is de enige die thuis werkt: zoveel als ze in één tot twee minuten opeten, en wat er ligt gaat eruit. [literatuurrichtlijn, LICG]

Er bestaat één telbaar ijkpunt daarnaast, en het komt uit een kweekopzet met de endler (Poecilia wingei), de naaste verwant uit hetzelfde geslacht. Volwassen dieren en halfwas kregen daar vlokvoer met 49 procent ruw eiwit, 3 procent van hun eigen gewicht per dag, verdeeld over drie momenten. [gemeten opzet, Hernández-López & Luna-Vivaldo 2021] Dat is een keuze van de onderzoekers, geen uitkomst.

Reken die 3 procent door en je ziet meteen waarom een weegschaal niet helpt. Wilde volwassen dieren in Sri Lanka wogen gemiddeld 0,174 gram (vrouwtjes) en 0,075 gram (mannetjes) [gemeten, Pethiyagoda e.a. 2021]; in de Turkse kweekproef verderop wogen ze na zestien weken 0,40 tot 1,27 gram. [gemeten, Türkmen & Karadal 2017] Acht volwassen dieren wegen samen dus tussen de één en de tien gram, afhankelijk van wat voor vis je in huis hebt, en 3 procent daarvan is 0,03 tot 0,3 gram per dag. [eigen omrekening uit gemeten waarden]

Dat is ergens tussen een paar korrels en een pinknagel vol. Geen keukenweegschaal haalt dat, en dat is niet eens het echte bezwaar: het getal zelf is een factor tien breed omdat aquariumguppen veel zwaarder worden dan wilde. [praktijkregel] Elke gramopgave die je ergens tegenkomt is dus schijnnauwkeurigheid, en blijft de zichtbare maat de werkbare. Hoeveel dieren de bak zelf aankan is een andere vraag, en die staat bij hoeveel guppen in een bak.

Wat er dan wel op het menu hoort

LICG zet vier soorten voer naast elkaar, zonder rangorde: droogvoer, diepvriesvoer met Artemia erbij als geschikt voor jonge dieren, levend voer zoals watervlooien, Tubifex en muggenlarven, en groenvoer — guppy's eten volgens LICG ook graag algen en ander groenvoer. [literatuurrichtlijn] Dat droogvoer de dagelijkse basis is en de rest de afwisseling, is een keuze van mij. Zo ziet een week eruit die daarbij past; de frequenties zijn van mij, alleen de portiemaat komt uit een bron. [praktijkregel]

Wat Hoe vaak Portie
Droogvoer: vlok of uitgesproken fijne korrel elke dag zoveel als er in één tot twee minuten op is
Voer met spirulina of een alg hoog in de lijst één of twee keer per week, in plaats van de gewone beurt idem
Diepvries- of levend voer (Artemia, watervlooien, muggenlarven) één of twee keer per week, in plaats van de gewone beurt idem
Een dun plakje gekookte courgette los erbij hooguit een halve dag laten liggen, de rest 's avonds eruit

Drie dingen om in de winkel op te letten. Deeltjesgrootte: een gup heeft een kleine, naar boven gerichte bek, en korrels die voor een middelgrote vis gemaakt zijn komen ongegeten op de bodem terecht. [praktijkregel] Drijvend of langzaam zinkend: LICG schrijft dat guppy's alle waterlagen gebruiken maar het meest in de bovenste laag zwemmen [literatuurrichtlijn], en voer dat meteen zinkt wordt slecht gevonden. Hij hangt daar overigens niet om lucht te happen: een labyrintorgaan, zoals de labyrintvissen dat hebben, heeft deze familie niet. De bewaarplek: niet op de lichtkap, want daar wordt het potje te warm en gaan de vitaminen verloren. [literatuurrichtlijn, LICG]

En muggenlarven, want die vraag komt er altijd achteraan. Die mogen: LICG noemt ze bij het levend voer, en in Lagos zaten muggenlarvedelen gewoon in het menu van wilde dieren. [gemeten, Lawal e.a. 2012] LICG waarschuwt wel dat levend en diepvriesvoer ziekten kunnen overbrengen, dus haal ze bij een vertrouwde leverancier en ontdooi diepvriesvoer eerst [literatuurrichtlijn] — zelf scheppen uit een regenton of een sloot is precies de route waarlangs je dat risico binnenhaalt. [praktijkregel]

Wat er níet in hoort. Brood, kliekjes en restjes uit de keuken komen in geen van deze bronnen voor, en er is geen reden om ze te geven. Hetzelfde geldt voor weken achtereen hetzelfde diepvriespakje: niemand heeft dat bij deze soort gemeten [hiaat], maar het staat haaks op alles wat er hieronder in de maaginhoud van wilde dieren zit. En waarmee je resten weghaalt, want elke bron zegt dát het moet en geen enkele zegt hoe: een dun slangetje of een hevel over de bodem werkt, een schepnet alleen bij een plakje courgette dat nog heel is. [praktijkregel]

Groenvoer: één alg is gemeten, "iets groens" niet

LICG noemt groenvoer wel, en Tom&Co adviseert zelfs een wekelijkse spirulinabeurt. Wat er nergens bij staat is hoevéél het scheelt. Dat is precies wat één proef wél gemeten heeft.

Onderzoekers van het Asian Institute of Technology in Thailand gaven eendaagse jongen dertig dagen lang drie voeders met evenveel eiwit en evenveel energie: een controlevoer, hetzelfde voer met 5 procent spirulina, en hetzelfde voer met 5 procent chlorella. In beide gevallen verving die vijf procent een gelijke hoeveelheid ruw eiwit uit vismeel. Negen bakken, dertig jongen per bak, drie keer per dag naar behoefte, bij 25,9 graden. [gemeten, Perera e.a. 2024]

Na 30 dagen Controle 5 % spirulina 5 % chlorella
Eindgewicht (mg) 56,5 91,7 62,8
Gewichtstoename (mg per vis) 48,8 78,6 55,5
Kleur (grijswaarde; lager is meer kleur) 111,2 85,4 95,2
Overleving 96 % 97 % 96 %

Vetgedrukt verschilt significant van de controle (p < 0,05). Vijf procent spirulina gaf dus zowel meer kleur als fors meer groei: van 57 naar 92 milligram, ruim anderhalf keer zo zwaar. Chlorella gaf wél meer kleur — en was op dat punt niet van spirulina te onderscheiden — maar op geen enkele groeimaat een significant verschil met de controle.

Het kweekdeel kwam later: op dag zestig gingen per herhaling één man en drie vrouwen drie weken in aparte kweekbakken. De spirulina-vrouwtjes kregen daar gemiddeld 43,0 jongen tegen 18,7 in de controle, met chlorella op 29,7 daartussenin. [gemeten, Perera e.a. 2024] De resultatenzin zet er p>0,05 bij, maar de tabelletters én de discussie noemen datzelfde verschil significant — twee tegen één, dus waarschijnlijk een zetfout in die ene zin. Let er wel op dat de tótale jongenproductie per groep volgens de auteurs niet verschilde: dit gaat over jongen per vrouwtje.

En nu de reikwijdte, want die is smaller dan "geef ook wat groens". Gemeten is: één algensoort, ingemengd op vijf procent in plaats van vismeeleiwit, bij pasgeboren dieren in een kweekopstelling. De auteurs schrijven het groei-effect toe aan het aminozuurprofiel van spirulina — arginine, isoleucine, leucine, threonine en valine zaten daar significant hoger in dan in vismeel en in chlorella — en niet aan "iets plantaardigs". Spirulina is bovendien een cyanobacterie met een hoog eiwitgehalte, geen groenvoer in de betekenis die een lezer eraan geeft. En de tweede alg gaf alleen kleur. "Geef ook wat groens" is dus geen conclusie uit deze proef; "kleur komt uit algen" wel, en "spirulina doet aantoonbaar meer dan vismeel alleen" ook.

Wat dat in een gewone week betekent. Kies één of twee keer per week een voer waarin spirulina of een andere alg als eerste of tweede grondstof op de lijst staat — als spirulinavlok gewoon te koop. Dat is het dichtst bij wat in die proef 92 tegen 57 milligram opleverde. [praktijkregel] Een plakje courgette is iets anders: een aanvulling waar bij deze soort geen enkele meting achter zit [hiaat], geen vervanging van dat plantaardige aandeel in het voer.

Er is nog een indirecte aanwijzing. De Trinidad-studie hieronder mat naast magen ook darmen, en vond een negatief verband tussen het aandeel ongewervelden in het dieet en de relatieve darmlengte (F 1,117 = 31,46; P < 0,001; r² = 0,21): minder dierlijk voedsel, langere darm. [gemeten, Zandonà e.a. 2015] Maar dat dieet verklaart dus ongeveer een vijfde van de verschillen, en vissen van plekken met weinig roofvis hielden hun langere darm ook toen de diëten al naar elkaar toe geschoven waren. Herkomst woog zwaarder dan het menu van dat moment.

En dan de vraag die hier altijd achteraan komt: ruimen ze de aanslag in jouw bak op? In het wild eten ze draadvormige algen — in Lagos was Ulothrix de meest gegeten soort [gemeten, Lawal e.a. 2012] — maar dat is geen belofte over jouw ruit. Of guppen de taaie draadalgen in een aquarium aanpakken is nergens gemeten. [hiaat] Wat ze wél doen is grazen aan de aanslag op ruit, hout en blad; dat is biofilm met eencelligen erin, en dat is iets anders. Dat onderscheid komt bij de vakantievraag terug.

Wat er in de maag van een wilde gup zit

Ik heb vier veldmetingen aan de maag- of darminhoud van vrijlevende guppen kunnen openen. Dat er precies vier zijn, beweer ik niet: er bestaat minstens één oudere, veelgeciteerde studie (Dussault & Kramer, 1981) die ik niet zelf gelezen heb. De vier die ik wél heb, wijzen niet allemaal dezelfde kant op — en dat is zelf de uitkomst.

Sri Lanka. Tussen januari 2016 en december 2017 werden in het kanaalstelsel van Sri Jayewardenepura 2.160 vissen ontleed, van 15 tot 35 millimeter, met de vrouwtjes gemiddeld 24,6 en de mannetjes 20,2 millimeter — geen oorspronkelijke populatie, de soort is daar geïntroduceerd. In de maag: zoetwaterresten, door de bron "freshwater debris" genoemd, 41 procent, fytoplankton 24, zoöplankton 21, ongedetermineerde insectendelen 12, en delen van volwassen muggen 2 procent. [gemeten, Pethiyagoda e.a. 2021]

Diezelfde onderzoekers zeefden per plek twintig liter water door een net van 55 micron, en dát geeft die cijfers pas betekenis: in dat zwevende materiaal zat 54 procent zoetwaterresten, 22 procent fytoplankton, 19 procent zoöplankton en 5 procent insectendelen. De maag lijkt dus sterk op wat er in het water zweeft, met één uitschieter: insectendelen waren in de maag ruim twee keer zo sterk vertegenwoordigd. [eigen omrekening uit gemeten waarden] Hij graait niet blind, maar hij eet wel grotendeels wat er langskomt — en wat er van de bódem af komt, is met een planktonnet niet gemeten. Let ook op wat er níet in zat: geen muggenlarven, niet in de magen en niet in het water. Over muggenbestrijding zegt deze studie dus niets, in geen van beide richtingen.

Lagos. Vierentwintig maanden, vijftien locaties in het afwateringsstelsel van de stad, 2.400 magen, waarvan 314 leeg. Algen waren daar veruit het belangrijkste voedsel: 79,03 procent van alle getelde deeltjes. [gemeten, Lawal e.a. 2012] Daarnaast aten deze dieren organisch bezinksel, diatomeeën, muggenlarvedelen, protozoën, zoöplankton en visresten. De auteurs noemen hem in hun conclusie een opportunistische, bodem- en kolombewonende alleseter, met een menu dat per seizoen verschuift.

Eén waarschuwing, want de samenvatting en de volledige tekst van dat artikel spreken elkaar tegen. De samenvatting geeft voor algen naast die 79,03 procent ook een vóórkomen van 33,17 procent, maar dat is een verschrijving: in de resultatentabel is 33,17 procent het vóórkomen van Ulothrix, en de samenvatting verwisselt bij die soort én bij de visresten de twee methodes. De echte cijfers staan er gewoon: groenwieren zaten in 89,1 procent van de magen, blauwwieren in 58,44 en diatomeeën in 23,06 procent. [gemeten, Lawal e.a. 2012]

Trinidad, zijn eigen thuisland. In het droge seizoen bestond het dieet in de Aripo op plekken met veel roofvis voor ongeveer 70 procent uit ongewervelden, tegen ongeveer 10 procent op plekken zonder. In de Guanapo lag dat op 65 tegen 34 procent — die twee getallen publiceren de auteurs opnieuw uit hun eigen eerdere werk. In het natte seizoen schoven de diëten naar elkaar toe en at iedereen hoofdzakelijk detritus. [gemeten, Zandonà e.a. 2015; de Guanapo-cijfers uit Zandonà e.a. 2011]

Brazilië. In het Paraná-bekken werden 189 darmkanalen onderzocht, 84 uit een beek in het buitengebied en 105 uit een stadsbeek, tweemaandelijks tussen juli 2007 en juni 2008. Op de gebruikte voedselindex was detritus daar meestal de hoofdmoot, maar niet altijd:

Voedselindex (%) Landelijke beek Stadsbeek
Detritus, regenseizoen 54,8 38,4
Detritus, droog seizoen 92,2 63,9
Grootste diergroep, regenseizoen Simuliidae 33,8 Chironomidae 51,0

In die stadsbeek namen muggenlarven het in het regenseizoen dus over van detritus, en de auteurs schrijven dat ook met zoveel woorden. Detritus plus de waterdiertjes die erin leven kwam in beide beken en in beide seizoenen boven de 95 procent uit. [gemeten, Alves e.a. 2016] Dat detritus is hetzelfde soort materiaal als wat de Sri Lankaanse studie zoetwaterresten noemt: dood organisch spul met aanslag en beestjes erin.

Vier metingen, vier verhoudingen. In Trinidad bij veel roofvis bijna driekwart ongewervelden, in Lagos vooral algen, in Sri Lanka een maag die het zwevende aanbod spiegelt, en in Brazilië detritus als hoofdmoot — behalve in die stadsbeek in het regenseizoen. Dat is de definitie van een opportunist.

Eén waarschuwing bij het optellen: deze vier tellen niet hetzelfde. Sri Lanka telde deeltjes in een telkamer, Lagos gebruikte aantal én vóórkomen naast elkaar, en Brazilië rekende met een index die frequentie en volume vermenigvuldigt. Je mag die percentages naast elkaar leggen, maar niet bij elkaar optellen.

Insecteneter of alleseter: hier spreken de bronnen elkaar tegen

LICG schrijft dat guppy's voornamelijk insectenlarven eten. Seriously Fish schrijft dat wilde dieren primair insectenetend zijn. Allebei [literatuurrichtlijn]: het is een conclusiezin, geen meting, hoe stellig hij ook klinkt. Seriously Fish zet in zijn eigen kwalificatiebalk bij "Diet" trouwens gewoon unknown.

FishBase neemt een derde positie in, en niet de positie die je zou verwachten. In de tekst noemt FishBase zoöplankton, kleine insecten én detritus, maar uit de gevonden voedselbestanddelen rekent hij een trofisch niveau van 3,2 met een standaardfout van 0,40. [literatuurrichtlijn, FishBase] Dat getal is geen detail, want FishBase legt in zijn eigen handleiding de banden vast: planteneters tussen 2,0 en 2,19, alleseters tussen 2,2 en 2,79, en vleeseters op 2,8 of hoger. [literatuurrichtlijn, FishBase-handleiding] Met 3,2 valt de gup in de vleeseterband — dichter bij LICG en Seriously Fish dan bij wat er in de magen geteld is.

Waarom weegt de maaginhoud dan zwaarder? Omdat dat trofische niveau geen aparte meting is: het is een berekening over de voedselbestanddelenlijst die FishBase zelf heeft, en de standaardfout van 0,40 laat de uitkomst tussen 2,8 en 3,6 lopen — in het gunstigste geval dus precies op de grens. De vier veldstudies hierboven hebben daadwerkelijk deeltjes geteld, in vijf populaties op drie continenten. Die weging is een keuze van mij, maar wel een die ik hardop maak. [praktijkregel]

Het woord "alleseter" staat overigens gewoon in de vakliteratuur. Lawal e.a. noemen hem in hun conclusie een opportunistische alleseter, Pethiyagoda e.a. schrijven kortweg dat de gup een omnivoor is, en Zandonà e.a. zetten "omnivorous" in de titel van hun artikel. Wat opvalt is dat het de Nederlandse voorlichting niet haalt; een winkelketen komt er nog het dichtst bij, met "een echte alleseter" — zonder enige bronvermelding, maar met het juiste woord.

Wat de bronnen samen dragen is dit: de gup is een opportunistische alleseter, en waar hij in dat spectrum zit hangt af van waar hij zwemt en van welk seizoen het is. Een menu dat uitsluitend uit dierlijk voer bestaat, laat weg wat deze soort in het wild grotendeels binnenkrijgt.

De vastendag: er ligt wél een meting, en die pleit er niet voor

Over de vastendag wordt vaak gezegd dat er niets over gemeten is. Dat klopt niet. Er is één gepubliceerd experiment bij deze soort, en het wijst de andere kant op dan de vuistregel.

Turkse onderzoekers zetten zestien weken lang drie regimes naast elkaar: elke dag eten, om de dag eten, en één dag eten op twee dagen vasten. Dertig dieren per bak van bijna vijftig liter, drie herhalingen per groep, mannetjes en vrouwtjes in aparte bakken, vlokvoer tot verzadiging, 25,7 graden, en twee keer per week werd 30 procent van het water ververst. Let op waar de dieren begonnen: 0,13 gram en 2,39 centimeter. Dat waren jonge, hard groeiende guppen. [gemeten, Türkmen & Karadal 2017]

Regime (vrouwtjes) Overleving Eindgewicht Totale lengte Jongen per bak, 16 weken
Elke dag 91,7 % 1,27 g 4,77 cm 273
Om de dag 76,7 % 0,83 g 4,15 cm 147
Eén dag op drie 61,7 % 0,61 g 4,14 cm 49

Bij de mannen was de overleving 91,7, 80,0 en 60,0 procent; het geslacht maakte daar statistisch niets uit (P = 0,8417), het voerregime alles (P = 0,0002). In totale lengte was er géén significant verschil (P = 0,0775): die 4,77 centimeter is de hoogste van zes waarden die van 4,14 tot 4,77 lopen, en meer dan een uitschieter is het niet.

Bij het eindgewicht moet ik preciezer zijn dan de tabel doet vermoeden. Dat hing alléén van het geslacht af (P = 0,0154); het voerregime haalde daar net de drempel niet (P = 0,0582). Op de gewichtstoename deden allebei ertoe (regime P = 0,0353; geslacht P = 0,0098), en op de specifieke groeisnelheid was het regime-effect het duidelijkst (P = 0,0009). Dat vasten groei kostte, staat dus op die twee rijen en niet op de eindgewichtkolom. [gemeten, Türkmen & Karadal 2017] Diezelfde tabel geeft voor de dagelijks gevoerde vrouwtjes bovendien een gewichtstoename van 1,41 gram, wat met een startgewicht van 0,13 niet op een eindgewicht van 1,27 uitkomt; die twee rijen sluiten in de bron niet op elkaar aan.

Bij de laatste kolom: er is geen toets op de jongenaantallen gerapporteerd, en in de groep met de minste eetdagen leefden aan het eind bijna een derde minder vrouwtjes. Een deel van de daling is dus simpelweg minder moeders: per overlevend vrouwtje blijft er ongeveer tien tegen drie jongen over. [eigen omrekening uit gemeten waarden] De richting klopt, de factor van bijna zes niet. De vrouwtjes zaten trouwens los van de mannen en wierpen tóch; de auteurs schrijven dat toe aan opgeslagen sperma.

Eén cijfer dat er vaak bij gehaald wordt, houdt geen stand. De voerbenutting was bij de dagelijks gevoerde vrouwtjes het gunstigst, 1,28 tegen 1,54 en 1,58 — maar de tweewegs-ANOVA in dezelfde tabel geeft voor het regime P = 0,5538, en binnen de vrouwtjes delen alle drie de waarden een letter. De bron noemt die 1,28 wél "statistisch het laagste niveau", maar dat is een vergelijking met de 2,06 van de mannetjes, dus over de geslachten heen: alleen het geslacht kwam significant uit de toets (P = 0,0281). Ik houd het op: niet significant. [gemeten, Türkmen & Karadal 2017]

Nu de eerlijke grens van wat dit zegt. Om de dag vasten is iets heel anders dan de wekelijkse vastendag die in de hobby rondgaat [praktijkregel]; die is hiermee niet gemeten en dus ook niet weerlegd. Wat wél weg is, is het idee dat een hongerdag bij deze soort neutraal is. Bij dit tempo kostte hij groei, kostte hij jongen, en kostte hij overleving. De onderzoekers bevelen aan guppen minstens één keer per dag te eten te geven.

Praktisch: krijgt je bak een afgemeten portie per dag, dan voegt een vastendag niets toe. Geef je ruimer, dan is een dag overslaan een manier om het water te ontlasten — maar dan los je een doseerprobleem op met honger, en dat is de omweg.

Als hij niet eet

Dit is de enige plek waar het voer een medisch spoor raakt, en meteen de plek waar de meeste mensen de verkeerde afslag nemen: ze gaan ander voer kopen.

Een gup die niet meer op het voer af komt, heeft zelden een voerprobleem. De volgorde die bij deze soort werkt is water, dan herkomst, dan ziekte — en die volgorde plus de bijbehorende symptomen staan bij de guppenziekten. Een andere voersoort proberen is pas zinvol als de eerste twee zijn nagelopen. [praktijkregel] Twee dingen die je in de tussentijd níet moet doen: méér geven, en een middel in het water gooien voordat je weet wat er is.

Vakantie: een week kan, twee weken vraagt een plan

Er is geen meting die een vakantieblok tegen niets geven afzet. [hiaat] Er is wel één soortspecifiek argument, en dat komt uit de maaginhoud hierboven.

De magen in Sri Lanka leken sterk op wat er in het water zweefde, en de Braziliaanse onderzoekers concluderen dat deze soort de bodem afstroopt om aan eten te komen. [gemeten, Pethiyagoda e.a. 2021 en Alves e.a. 2016] Aanslag op ruit en hout en bezinksel in de bodem zijn in een lopende, beplante bak het dichtstbijzijnde equivalent daarvan. Die gelijkstelling is een redenering van mij en geen meting [praktijkregel], maar hij verklaart wel waarom een gezonde volwassen groep een week zonder bijvoeren doorkomt: er is altijd iets te grazen. Die week is een vuistregel en geen gemeten drempel. De enige guppenproef die eraan raakt liep zestien weken op een derde van de eetdagen, niet veertien dagen op nul, en kan die grens dus niet bevestigen en ook niet verplaatsen.

Zwemmen er jongen in de bak, dan geldt dit niet. Een dier van zeven millimeter heeft geen reserve en zit midden in de weken waarin het moet groeien. Regel dan iemand die komt geven, of laat de jongen vóór je vertrek de kant op gaan die toch al gepland was. [praktijkregel]

Voor de rest is dit de volgorde, van beste naar minst goede route. [praktijkregel]

  1. Een mens. Zet de porties vóór vertrek klaar in aparte potjes of in de vakjes van een weekdoos, precies zoals jij ze normaal zou geven. Afwegen kan niet, voorportioneren wel — en dat is juist waarom je het klaarzet: er wordt dan niet naar eigen inzicht geschept.
  2. Een voerautomaat, mits hij een week bij jou thuis heeft proefgedraaid. Het risico is een doseerfout die veertien dagen doorloopt terwijl niemand corrigeert. Vul hem met dezelfde voorgeportioneerde hoeveelheden en laat hem lopen terwijl je er zelf nog bent. Blind op "een klik per dag" is een groter risico dan een week helemaal niets.
  3. Het vakantieblok. Het bezwaar dat je in de handel hoort gaat over de samenstelling; daar heb ik geen bruikbare bron voor kunnen vinden. [hiaat] Het bezwaar dat ik wél hard kan maken is een ander: je kunt niet zien wat het doet. Wat er niet opgegeten wordt lost op in het water, en jij bent er niet om het weg te halen.

Doe voor vertrek de waterwissel die je normaal ook zou doen, en zet er in die laatste week geen vis meer bij. Wat de lampen en de verdamping in twee weken doen valt buiten dit stuk; daar heeft deze gids nog geen artikel over.

De fout die je niet aan de vis ziet

Seriously Fish schrijft dat de hedendaagse kweekvis ver van zijn voorouders af staat en vrijwel elk voer accepteert. [literatuurrichtlijn] Dat is precies waarom het misgaat: hij blijft eten, hij blijft bedelen, en hij ziet er nooit uit alsof hij te veel krijgt.

Bedelen is trouwens geen honger. Deze soort zoekt in het wild vrijwel onafgebroken voedsel van de bodem: de Braziliaanse auteurs concluderen dat hij weinig kieskeurig is of de bodem moet afstropen, en verwijzen naar een gedragsstudie waarin guppen tijdens het foerageren zeer snelle happen maken met de kaken maximaal uitgeschoven, over een relatief groot stuk bodem. [gemeten, Alves e.a. 2016, die Dussault & Kramer 1981 aanhalen; die laatste heb ik niet zelf geopend] Dat zoekgedrag stopt niet omdat er 's ochtends iets in ging. Wie op bedelen voert, voert op gedrag dat er altijd is.

Waaróm te veel geven zo lang onzichtbaar blijft, staat in het algemene stuk over overvoeren. Wat er bij deze soort bij komt, is dat hij het je nooit laat merken. De signalen zitten dus niet in de vis maar in de bak, en de bruikbaarste is een cijfer. Meet het nitraat twee weken achter elkaar op hetzelfde punt in je ritme, vlak vóór het verversen. Staat het de tweede keer gelijk of lager, dan past je portie bij je wisselritme. Loopt het elke week op, dan gaat de portie omlaag of ga je vaker of ruimer wisselen — en pas als dát niets verandert, is het tijd om naar andere oorzaken te kijken. Eén losse meting zegt niets; twee metingen op hetzelfde punt in twee opeenvolgende weken zeggen alles.

BronnenPethiyagoda, De Alwis & De Silva, 2021, Food and feeding habits of wild guppy (Poecilia reticulata), in natural water bodies of Sri Jayewardenepura canal system, Sri Lanka, KDU Journal of Multidisciplinary Studies 3(2):56-63 - https://kjms.sljol.info/articles/10.4038/kjms.v3i2.29 · Lawal, Edokpayi & Osibona, 2012, Food and Feeding Habits of the Guppy, Poecilia reticulata, from Drainage Canal Systems in Lagos, Southwestern Nigeria, West African Journal of Applied Ecology 20(2):1-9 - https://www.ajol.info/index.php/wajae/article/view/86327 (open access; de samenvatting verwisselt bij Ulothrix en bij de visresten twee getallen die de volledige tekst corrigeert) · Zandonà, Auer, Kilham & Reznick, 2015, Contrasting Population and Diet Influences on Gut Length of an Omnivorous Tropical Fish, the Trinidadian Guppy (Poecilia reticulata), PLOS ONE 10(9):e0136079 - https://doi.org/10.1371/journal.pone.0136079 · Zandonà, Auer, Kilham, Howard, López-Sepulcre, O'Connor e.a., 2011, Diet quality and prey selectivity correlate with life histories and predation regime in Trinidadian guppies, Functional Ecology 25:964-973 (niet zelf geopend; de Guanapo-cijfers zijn hieruit overgenomen in Zandonà e.a. 2015) · Alves, Tófoli, Ganassin & Hahn, 2016, Diet of Poecilia reticulata Peters, 1959 in streams from Paraná River basin: influence of the urbanization, Acta Scientiarum Biological Sciences 38(3):313-318 - https://doi.org/10.4025/actascibiolsci.v38i3.29881 (het jaartal 1959 is een zetfout in de gepubliceerde titel; de auteurs schrijven in de tekst zelf Peters, 1859) · Dussault & Kramer, 1981, Food and feeding behavior of the guppy, Poecilia reticulata (Pisces: Poeciliidae), Canadian Journal of Zoology 59:684-701 (niet zelf geopend; het bijtgedrag is hier aangehaald zoals Alves e.a. 2016 het weergeven) · Türkmen & Karadal, 2017, Effects of cycled starvation feeding regimes and gender on growth performance and cost analysis of guppy (Poecilia reticulata), Ege Journal of Fisheries and Aquatic Sciences 34(4):423-430 - https://doi.org/10.12714/egejfas.2017.34.4.09 (Turkstalig met Engelse samenvatting; de tabelletters bij de voerbenutting en de tweewegs-ANOVA in dezelfde tabel wijzen niet dezelfde kant op) · Norazmi-Lokman, Baderi, Zabidi & Diana, 2020, Effects of different feeding frequency on Siamese fighting fish (Betta splenden) and Guppy (Poecilia reticulata) Juveniles: Data on growth performance and survival rate, Data in Brief 32:106046 - https://doi.org/10.1016/j.dib.2020.106046 (de soortnaam staat zo, met de zetfout, in de gepubliceerde titel; de gepubliceerde SGR-formule rekent met de logaritme van een verschil en levert dus geen percentage per dag op) · Perera, Bhujel, Krishna & Sermwatanakul, 2024, Comparative Effects of Chlorella and Spirulina on Growth, Pigmentation, Breeding, and Stress Tolerance in Guppy (Poecilia reticulata Peters, 1859), Journal of Fisheries and Environment 48(3):80-91 - https://li01.tci-thaijo.org/index.php/JFE/article/view/261930 (de resultatentekst zet p>0,05 bij het aantal jongen per vrouwtje, terwijl de tabelletters en de discussie het significant noemen) · Hernández-López & Luna-Vivaldo, 2021, Life history traits of Endler's fish (Poecilia wingei), AACL Bioflux 14(3):1727-1733 - https://bioflux.com.ro/docs/2021.1727-1733.pdf (bron van het kweekregime van 3 procent van de biomassa per dag) · LICG, Guppy (voeding, hoeveelheid, waterlaag, voerresten, vast dagpatroon, bewaaradvies en ziekterisico van levend voer) - https://www.licg.nl/aquariumdieren/guppy/ · Seriously Fish, Poecilia reticulata (Diet; de kwalificatiebalk zegt 'unknown') - https://www.seriouslyfish.com/species/poecilia-reticulata/ · FishBase, Poecilia reticulata (voedselbestanddelen en trofisch niveau 3,2 met standaardfout 0,40) - https://www.fishbase.se/summary/Poecilia-reticulata.html · FishBase, handleiding, The ECOLOGY Table (de banden waarin een trofisch niveau planteneter, alleseter of vleeseter betekent) - https://www.fishbase.se/manual/english/fishbasethe_ecology_table.htm · Tom&Co, De guppy: een kleine, kleurrijke vis - https://www.tomandco.com/nl-be/blog/de-guppy-een-kleine-kleurrijke-vis.html (winkelketen-blog zonder bronvermelding, hier vergeleken) · GuppyClub.nl, Guppy aquarium beginnen voor iedereen - https://guppyclub.nl/aquarium-basics/guppy-aquarium-beginners-kwekers/ (hobbysite zonder bronvermelding, hier vergeleken)

Wat betekent dit voor jouw bak?

Alquarium leest dit artikel mee en denkt met je mee over jouw aquarium. Gratis, geen account nodig.

Je hebt het stuk uit. Wat wil je weten over jouw eigen bak?

  • Of begin hiermee:

Verder lezen

Alles over vissen