Vissen
Guppenjongen: schuilruimte werkt beter dan een kraambakje
Er zwemmen ineens kleine visjes tussen de planten, en de eerste reflex is een kweekbakje kopen. Dat bakje belooft alle jongen te redden, en de naslagwerken zeggen dat ook. Het kost je alleen een opgesloten vis, een moment dat je moet raden, en een worp die daarna alsnog ergens heen moet. Een dichte hoek en een laag drijvend groen doen in een gewone bak het meeste van dat werk zonder een van die drie, en dat is de afweging die dit stuk maakt. Verder gaat het over de jongen die er al zijn: hoe ze het halen, wat ze te eten krijgen en wanneer ze geen hapje meer zijn.
In het kort
- Volwassen guppen eten jonge guppen, de moeder inbegrepen. Seriously Fish stelt het onvoorwaardelijk, LICG voorwaardelijk (zonder verstopplaats worden ze opgegeten) en FishBase noteert dat er geen broedzorg is en dat ouders hun eigen jongen kunnen opeten. Alle drie wijzen dezelfde kant op.
- Wat vandaag helpt is concreet: dek ruwweg een derde van het oppervlak met drijvend groen, onze vuistregel omdat geen bron een maat geeft, en hang een kous over de aanzuig die je elke paar dagen uitspoelt.
- Een kraambakje wint hoogstens op één maat, het aantal jongen dat het haalt, en zelfs daar staat geen meting achter: de naslagbron die honderd procent belooft, haalt juist de volwassen dieren weg en niet de jongen. Het verliest op drie: het kost een dagenlang opgesloten vis, een moment dat je moet raden, en een worp die daarna in datzelfde bakje zit.
- Van de vijf bronnen onder dit artikel die iets over huisvesting rond de worp zeggen, grijpen er drie in op de omgeving of op de jongen en twee op de volwassen dieren. Die twee doen dat met precies hetzelfde doel als alle plantenadviezen: voorkomen dat de ouders hun eigen pasgeborenen opeten.
- Voor de eerste weken bestaat geen gemeten voerschema; wat er over frequentie gemeten is, gaat over dieren van dertig dagen en ouder. Er is wel een gepubliceerd opkweekregime bij deze soort: twee keer per dag vers bereide artemia, en vanaf twaalf dagen na de worp geleidelijk over op fijne korrel.
Volwassen guppen eten jonge guppen, de moeder inbegrepen
Het korte antwoord is ja, en bij deze soort is dat geen incident. Drie naslagbronnen zeggen het, en het loont om te horen hóé hard. Seriously Fish stelt het onvoorwaardelijk: volwassen vissen eten de jongen. FishBase is het voorzichtigst en noteert alleen dat er geen broedzorg is en dat ouders hun eigen jongen kúnnen opeten. LICG zegt het voorwaardelijk, en dat is de zin die dit hele stuk draagt [literatuurrichtlijn]:
"De jonge guppy's zorgen voor zichzelf. Ze hebben wel een verstopplaats nodig in bijvoorbeeld waterplanten, anders worden ze opgegeten."
Wat je vandaag doet, zijn twee handelingen. Leg een dichte laag waterplanten aan het oppervlak, zodat een dier van zeven millimeter ergens buiten bereik hangt. En hang een kous of een voorfilter over de aanzuig, want daar verdwijnen jongen zonder dat je het ziet gebeuren.
Hoeveel er verloren gaat is veel beweerd en weinig gemeten. In hobbybronnen circuleert de schatting dat minstens de helft van de aanwas aan kannibalisme opgaat, zonder dat iemand er een vindplaats bij levert. [praktijkregel, geen publicatie] Wat wél zwart op wit staat komt uit de kwekerijliteratuur: daar is het wegvangen van pasgeborenen door de volwassen groep een hoofdoorzaak van jongenverlies, en daarom hangen er in kweekbakken standaard mandjes met een maas waar alleen de kleintjes doorheen komen. [literatuurrichtlijn - Barki e.a. 2014]
Verbaas je ook niet als er jongen opduiken zonder mannetje in de bak: een zwangere guppy bewaart sperma en werpt maanden na de laatste paring nog door. Boven kiezels en één plant zit een pasgeboren dier nergens buiten bereik, onder een dichte mat aan het oppervlak wel. Hoeveel jongen het halen is dus vooral een eigenschap van de inrichting.
Wat wel werkt: een dichte mat aan het oppervlak
Seriously Fish noemt een dichtbeplante soortbak met veel drijvend groen de beste manier om de jongen door te laten komen. [literatuurrichtlijn] Ze hangen de eerste dagen in de bovenste waterlaag en tussen het groen [praktijkregel], dus daar hoort de dekking. En fijn moet ze zijn: een pasgeboren gup glipt door een gaatje waar een volwassen dier zijn kop niet in krijgt.
- Hoornblad is de drijver van dit rijtje. Geen wortels, fijnbladig, blijft uit zichzelf boven hangen: een dichte mat aan het oppervlak zonder dat je iets hoeft te planten. Een handvol uit de lopende bak van iemand anders werkt vandaag nog, en dat is hier de snelste route — via een vereniging of een vismarkt, niet via de winkel.
- Een pol javamos op de bodem of tegen de achterwand. Voor zo'n jong een doolhof, voor een volwassen gup een muur. Er zit bovendien kleingoed op dat de eerste dagen meegegeten wordt.
- Kunstplanten doen de helft van het werk. Schuiling wel, de aanslag waarop meegegeten wordt niet, en een kunstplant die drijft bestaat nauwelijks. Noodverband, geen eindoplossing. [praktijkregel]
De laag tússen die twee blijft open, en dat is minder erg dan het klinkt: ze hangen die eerste dagen toch al boven. "Dichtbeplant" is verder geen hoeveelheid, dus één maat om op te mikken: dek ruwweg een derde van het wateroppervlak. Dat getal staat in geen van de bronnen onder dit stuk en is niet meer dan een redactionele vuistregel. [redactionele vuistregel, geen bron]
Let ook op het woord soortbak. De meeste Nederlandse bakken met guppen zijn gezelschapsbakken, en daar doet dekking hetzelfde werk tegen meer monden. Draai dat alleen niet om tot een plan: een medebewoner erbij zetten om de aanwas te remmen werkt niet, en wij vonden geen meting die laat zien dat het de aantallen werkelijk drukt. [hiaat] Hetzelfde geldt voor jongen bewust laten opeten als levend voer. In een gemengde bak gebeurt dat sowieso, maar er bewust op sturen is geen voedermethode; het is een keuze over aantallen, en die staat met alle prijskaartjes erbij in het afvoerplan voor guppen.
Er is één proef, en die meet iets anders dan je hoopt
Dat meer dekking meer jongen oplevert staat bij LICG en bij Seriously Fish. Dat zijn richtlijnen, geen experimenten. [literatuurrichtlijn]
Eén aquariumproef komt er dicht bij, met dieren uit twee Trinidadse populaties: de ene uit water met veel roofvis, de andere met weinig. Het kannibalisme bleek grootte-afhankelijk en hing af van de herkomst van zowel het jong als het vrouwtje. Zónder schuilplaatsen waren de vrouwtjes uit het rustige water de efficiëntste kannibalen en ontweken de jongen daarvandaan het beste; mét schuilplaatsen keerde die volgorde precies om. [gemeten - Nilsson e.a. 2011, samenvatting geopend, volledige tekst niet] Schuilplaatsen lossen het kannibalisme dus niet op; ze veranderen de uitkomst meetbaar, tot en met de vraag wie er beter af is.
De tweede meting komt uit de kwekerijtechniek: onderzoekers lokten pasgeborenen met een lamp een veilig, met gaas afgeschermd deel in. Zowel de aanwezigheid van kannibalen als die lamp bracht er meer pasgeborenen heen. De lamp verlaagde het kannibalisme na een half uur significant, maar na zestien uur niet meer — behalve bij volwassen dieren die vijf dagen niets gekregen hadden, want daar hield het effect op beide momenten stand. [gemeten - Barki e.a. 2014, samenvatting geopend, volledige tekst niet] Vertaal dat niet naar een lampje boven je aquarium maar naar wat het aantoont: een afgeschermde ruimte waar een volwassen dier niet bij kan maakt het verschil, en hoe hongerig die dieren zijn maakt het verschil daarbinnen.
Waarom een kraambakje meestal de verkeerde zet is
Het bakje ligt in vrijwel elke dierenwinkel, onder namen als kraamkamer of kweekbakje [praktijkregel], en het belooft precies wat je op dat moment wilt. Zeg er dan ook bij op welke maat het wint, want dat is er één. Op het aantal jongen dat het haalt, wint scheiden gewoon. Let daarbij op de richting: Seriously Fish schrijft dat volwassen dieren de jongen opeten en dat je daarom de vólwassen vissen ná de worp weghaalt, met honderd procent overleving als belofte — de bron haalt dus de ouders weg, niet de jongen, en het is een belofte in een naslagtekst, geen uitkomst van een proef. [literatuurrichtlijn - belofte van Seriously Fish, geen meting] Op welzijn, op uitvoerbaarheid en op de vraag wat er daarna met die jongen gebeurt, verliest het. Drie maten tegen één.
Je moet het moment raden. In een kweekopzet aan een nauw verwante levendbarende soort werden drachtige vrouwtjes elke twee uur gecontroleerd, van tien uur 's ochtends tot zes uur 's avonds. In de guppenkweek van Norazmi-Lokman e.a. — dezelfde proef waarvan verderop het voerschema komt — werd twee keer per dag gekeken, om tien en om vijf uur, omdat de worpen daar volgens de auteurs geregeld op die momenten vielen. [methodische opgave, beschrijving uit de methodesectie] Twee tot vijf controles per dag dus, en kijken is de enige methode die er is. Wie het bakje voor de zekerheid dagen eerder inzet, houdt een vis dagenlang opgesloten in een fractie van zijn leefruimte. Dat is niet vrijblijvend: jongen van vrouwtjes die tijdens de dracht een schrikstof uit de huid van soortgenoten roken, groeiden de eerste dagen langzamer, en volgens de auteurs verliep dat waarschijnlijk via een kórtere dracht. [gemeten - Ord e.a. 2020, samenvatting geopend, volledige tekst niet] Gemeten is het verband tussen draagtijd en groeisnelheid; het mechanisme is hun verklaring erbij. Het is bovendien met een geurprikkel gemeten en niet met een netje, dus de stap naar "zet haar niet dagen vooruit opgesloten" is onze [praktijkregel].
Het volume is klein. In diezelfde kweek zat elk vrouwtje in een kweeknetje in 2,5 liter, en de jongen gingen ná drie dagen door naar een stocktank met vier vissen per liter. [methodische opgave] Een worp van veertig komt daarmee op tien liter uit, en een bakje dat je met één hand aan de rand hangt is daar een fractie van.
Na de worp begint het pas. Ze zitten dan met z'n allen in dat bakje, en de opgaven over hoeveel dat er zijn lopen ver uiteen, tot tweehonderd toe; vijf opgaven staan met hun kanttekeningen bij de dracht van de zwangere guppy. [literatuurrichtlijn] Ze moeten daarna alsnog ergens heen. In zo'n volume lopen ammoniak en nitriet bovendien snel op, want de bacteriehuishouding van een doosje aan de rand is die van de hoofdbak niet. [praktijkregel] Ga daarbij niet af op hoe het water eruitziet.
En dan de eerlijkste tegenwerping op dit stuk. Vijf bronnen zeggen iets over huisvesting rond de worp.
| Bron | Wat er staat | Waar hij ingrijpt |
|---|---|---|
| LICG | Planten als verstopplaats, anders worden de jongen opgegeten | Op de omgeving |
| Seriously Fish | Dichtbeplante soortbak met drijvend groen; wil je alle jongen, haal de volwassen dieren ná de worp weg | Op de omgeving en op de volwassen dieren |
| Barki e.a. | Gaasscheiding met een veilig deel, plus een lamp om de pasgeborenen daarheen te lokken | Op de omgeving |
| Kweekopzet aan een verwante soort | Raffiastroken tegen kannibalisme door de vrouwtjes; pasgeborenen per worp naar een eigen bak van vijftien liter | Op de omgeving en op de jongen |
| Guppenkweek van Norazmi-Lokman e.a. | Elk vrouwtje apart in een kweeknetje in 2,5 liter, en eruit zodra ze geworpen heeft | Op het moederdier |
Vier van de vijf grijpen in op de omgeving of op de jongen, één op de moeder. Die laatste poetsen we niet weg, want het is de sterkste tegenwerping die er is — en de reden erachter is exact dezelfde als bij alle plantenadviezen hierboven: voorkomen dat ze haar eigen pasgeborenen opeet, alleen langs de duurste route. Boekhouding is het niet, want de worpen gingen daarna juist bij elkaar in één bak met leeftijdsgenoten van andere moeders. Waarom het voor een woonkamerbak toch niet volgt: daar zit zo'n vrouwtje uren en geen dagen in dat netje, bij twee vaste kijkmomenten, in een opstelling die verder niets doet.
Doe je het toch, dan is die volgorde na te doen. Zet haar er pas in als je de oogjes in de zwangerschapsvlek ziet [praktijkregel, hobbyliteratuur; dat teken staat bij de dracht], reken op uren en niet op dagen, haal háár eruit zodra ze geworpen heeft en niet de jongen, en breng de jongen binnen een paar dagen naar het dichte groen of naar een opkweekbak. Heb je al een bakje in huis, hang het dan leeg in de bak als tijdelijke opvang voor jongen die je uit het groen schept — met een glas erin scheppen en niet met een schepnet, want in dat gaas beschadigen ze sneller dan je denkt. Hooguit een paar uur: zo'n netje is een wachtkamer, geen verblijf. [praktijkregel]
Wat de jongen de eerste weken krijgen
LICG houdt het simpel, en voor de meeste bakken is dat genoeg: verkruimel het droogvoer voor pasgeboren dieren, en gebruik daarnaast diepvries-Artemia, dat LICG expliciet als geschikt voor jonge guppen noemt. [literatuurrichtlijn] Ze eten mee met wat er in de bak zelf groeit; de aanslag op ruit en blad is de eerste week een reële bron. [praktijkregel] Twee dingen die daar niet bij staan. De korrel moet stoffijn zijn: een vlok zoals hij uit de bus komt gaat er ongebroken niet in. En de portie moet zo klein zijn dat hij in twee minuten op is — dezelfde regel als bij het voeren van volwassen vissen. Te veel geven is in een opkweek het echte risico, niet ondervoeding. [praktijkregel]
Er bestaat één gepubliceerd opkweekregime aan deze soort dat bij dag één begint, en het staat in de methodesectie van diezelfde kweek. Vanaf de geboorte kregen de jongen twee keer per dag vers bereide artemia naar behoefte, om negen uur 's ochtends en om vier uur 's middags, en vanaf twaalf dagen na de worp werden ze geleidelijk overgezet op fijne korrel. [methodische opgave - Norazmi-Lokman e.a. 2020; geen vergelijkende proef] Let op dat "vers bereid": dat is zelf ontkiemde artemia, niet het diepvriesblokje van LICG. Met verkruimeld opkweekvoer kom je een heel eind, maar dan doe je iets anders dan waarmee daar gewerkt is. Levend microvoer zoals azijnaaltjes loopt in Nederland via de vereniging en de vismarkt, niet via de dierenwinkel. [praktijkregel]
Wat dat in de eerste weken betekent. Dag één tot ongeveer twaalf: stoffijn opkweekvoer of ontdooide Artemia, twee of drie kleine porties per dag. Vanaf ongeveer dag twaalf: langzaam grovere korrel erdoorheen mengen. Portie steeds zo klein dat er niets blijft liggen. Dat schema is onze vertaling van die opzet en geen uitkomst van een proef. [praktijkregel]
Over de frequentie zelf spreken de bronnen elkaar tegen. LICG houdt het voor de bak als geheel op één keer per dag; de proef die frequenties naast elkaar zette werkte met dieren van dertig dagen en ouder. Eén maaltijd per dag was daar voor de lengtegroei gemeten te krap, en boven twee keer is op lengte niets meer aantoonbaar — terwijl op gewichtsgroei en voerbenutting vier maaltijden juist beter uitkwamen dan twee. Die tabel staat met de lettertjes erbij bij het guppenvoer, samen met een tweede proef waarin dagen overslaan meetbaar overleving kostte, en met de meting dat vijf procent spirulina bij eendaagse jongen zowel meer groei als meer kleur gaf. [gemeten - Norazmi-Lokman e.a. 2020, Türkmen & Karadal 2017 en Perera e.a. 2024, cijfers elders in deze gids]
Voor de eerste vier weken bestaat geen vergelijkende proef over frequentie of portiegrootte. [hiaat] Twee of drie kleine porties is in de opkweek gangbaar, en de reden om er niet meer van te maken staat in die eerste proef zelf: vaker geven kocht daar groei met fors meer voer per gram groei, en dat overtollige voer belandt bij jou in een klein volume. [praktijkregel]
Ruim zeven millimeter, en hoe lang het duurt voor ze geen hapje meer zijn
Het precieze geboortegetal dat je overal tegenkomt, 7,12 ± 0,09 mm, komt uit een publicatie die het zelf uit ander werk haalt, en dat origineel hebben wij niet ingezien. [gemeten, met voorbehoud - via een citerende publicatie] Houd het dus op ruim zeven millimeter en niet op twee decimalen. Dat past in de bek van een volwassen soortgenoot: LICG houdt drie tot zes centimeter aan voor volwassen dieren [literatuurrichtlijn], en het vrouwtje is de grootste van de twee. Dat is in één zin de hele reden dat de eerste weken over dekking gaan.
Hoe snel het daarna gaat is minder hard dan je zou hopen. De frequentieproef hierboven begint pas bij dertig dagen, en voor de weken daarvóór vonden wij geen groeicurve aan de gup. [hiaat] Bij die nauw verwante soort waren de mannetjes na gemiddeld 37 dagen geslachtsrijp, bij 18,4 millimeter [gemeten aan een verwante soort]; bij de gup zelf zet FishBase de rijpheid op twee maanden bij mannetjes en drie bij vrouwtjes. [literatuurrichtlijn] Ruwweg vijf weken tussen zeven en achttien millimeter dus — maar dat traject is aan die verwante soort gemeten en niet aan de gup.
Wanneer ze veilig zijn is een vraag waarop geen bron een hard getal geeft. [hiaat] De vuistregel die je overal leest — veilig zodra het jong niet meer in de bek past — suggereert bovendien een grens die er niet is. Het kannibalisme is grootte-afhankelijk, precies wat die Trinidadse proef meet: de kans loopt af, hij houdt niet op een dag op. Vanaf ongeveer anderhalf tot twee centimeter zie je de belangstelling in de praktijk verdwijnen; dat is geen gemeten grens maar ons eigen ijkpunt [redactionele vuistregel, geen bron]. Bruikbaarder dan een maat is gedrag: zwemmen ze uit zichzelf in het open midden zonder meteen achternagezeten te worden, dan zijn ze de gevarenzone uit.
Het kijkmoment op geslacht ligt eerder dan de hobby denkt
FishBase zet de geslachtsrijpheid op twee maanden bij mannetjes en drie bij vrouwtjes, LICG schrijft twee tot drie maanden [literatuurrichtlijn], en dat gaat over rijp wórden. Het kenmerk zelf is er eerder, dus begin vanaf week vier wekelijks naar de aarsvin te kijken — en verwacht niet dat je het meteen ziet. Welke meting daaronder ligt en wat je precies zoekt staat bij het gonopodium; daar staat er ook bij dat geen enkele geraadpleegde bron zegt vanaf wanneer een gewone houder het aan de bak betrouwbaar ziet. [hiaat]
Warmte schuift dat moment niet netjes naar voren: ze versnelt de groei, maar duwt de twee geslachten uit elkaar, want bij de hogere temperatuur werden mannetjes eerder en kleiner volwassen en vrouwtjes juist later en groter. [gemeten - Moura-Campos e.a. 2025]
Kleurloos is normaal, een kromme rug is dat niet
Kleur is in die eerste weken geen maat voor kwaliteit. Bij de mannetjes komt ze pas rond de geslachtsrijpheid goed op gang, dus een kleurloos jong van drie weken zegt alleen dat je nog niet ziet wat het wordt. Een jong dat achterblijft terwijl de rest doorschiet hoeft ook niet ziek te zijn; voer en plek in de bak verklaren het vaak. [praktijkregel]
Een rug die in de eerste levensmaand krom trekt is een ander verhaal, en niet automatisch een infectie: er bestaat bij deze soort ook een erfelijke vorm, in de literatuur curveback genoemd. Dat die bestáát is niet hetzelfde als dat jouw dier hem heeft. Aan het beeld alleen zie je de oorzaak niet, en daarom begin je bij een scheve of kwakkelende gup eerst bij het water, dan bij de herkomst, en pas daarna bij een ziekte.
Wil je ze apart opkweken, doe het dan met een bak en niet met een bakje
In de opzet aan de verwante soort gingen de pasgeborenen per worp naar een aquarium van vijftien liter, met mechanisch-biologische zuivering en een thermostaat. In de guppenkweek gingen ze ná drie dagen naar vier vissen per liter, met om de drie dagen water eruit. [methodische opgave] Geen doosje aan de rand van de hoofdbak, in beide gevallen. Neem die vier per liter alleen niet over als bezettingsgetal voor een woonkamerbak: het is een kweekgetal, met dieren die er een paar weken zitten en een verversritme dat daarbij hoort. Wat er blijvend in past ligt een orde van grootte lager, en vijftien liter is een startbak en geen eindbestemming.
Vier dingen die er dan wél moeten zijn:
- Dezelfde temperatuur als in de hoofdbak, en niet warmer om het op te jagen. LICG geeft 23 tot 25 graden. [literatuurrichtlijn] Warmer laat ze harder groeien, maar verschuift de rijpheid van de twee geslachten juist in tegengestelde richting.
- Een sponsfilter in plaats van een pomp, met een rijpe spons uit de draaiende bak meegehangen. Dan is de bacteriehuishouding er al vóórdat de jongen erin gaan, en zuigt er niets aan. Een lege bak met vers water is voor een worp jongen geen veilige plek maar een bak die zijn bacteriehuishouding nog moet opbouwen.
- Water eruit met een vast ritme. Reken op een kwart tot een derde per week, en op vaker zodra je meer dan twee keer per dag iets geeft. [praktijkregel]
- Meten, en wel ammoniak en nitriet. Allebei horen ze niet meetbaar te zijn. Staat er iets, dan is het antwoord dezelfde avond een flinke wissel en niets meer geven tot het weg is: tien tot vijftien liter met een paar voerbeurten per dag is te klein om een piek uit te zitten.
Wanneer ze eruit moeten is dezelfde grens als hierboven: kijken vanaf week vier, en scheiden zodra je het bij de eerste dieren ziet. Zo'n startbak loopt namelijk op precies dezelfde manier vol als de hoofdbak.
Waar het vandaag op neerkomt: dekking aan het oppervlak, en iets over je aanzuig. En je weet nu al wat er over een maand moet gebeuren — wekelijks kijken en scheiden op geslacht, of een plek regelen voor de dieren die je niet houdt.



