Naar de inhoud
ALQUARIUM Vraag het Alquarium
Poecilia reticulata - Guppy, male, cobra-green color morph
5snake5, CC0

Vissen

Guppen kweken: kleurslagen, lijnen en wat inteelt kost

Kweken is niet hetzelfde als jongen grootbrengen. Wat je eraan overhoudt is een lijn waarvan je over drie generaties nog kunt zeggen wie de vader was, en dit stuk laat zien wat dat kost: waar de kleur van een mannetje werkelijk vandaan komt, wat namen als moscow, snakeskin en halfzwart beschrijven, hoeveel bakken een kweekronde vraagt, en wat verwantschap kost zodra die oploopt. Met de getallen die er zijn, en met de eerlijke vermelding waar ze ontbreken. Zoek je alleen wat er op het bakkaartje staat: de dertien erkende vinvormen en wat de standaard onder namen als mosaic en snakeskin verstaat, staan er compleet in.

26 min lezen

0 van 9kleurvlekken die zuiver van vader komennegen apart gemeten vlekken, en geen enkele erft zuiver via de Y [gemeten, Morris e.a. 2020]
44 van 100punten voor de staartde zwaarste post in de keuring van een trio; vitaliteit telt voor 5 [literatuurrichtlijn, IKGH-standaard versie 2023]
13erkende vinvormensinds de herziening van 2018, toen de halvemaanstaart erbij kwam; de meeste verenigingspagina's noemen er nog twaalf [literatuurrichtlijn, IKGH-standaard]
tot 42,2 procentwinst door uitkruisenover zes eigenschappen gemeten, significant bij overleving op dag 120 en bij zouttolerantie: precies de twee die door broer-zusparing achteruitgingen [gemeten, Nakadate e.a. 2003]

In het kort

  • Ga er nooit van uit dat een vrouwtje uit een gemengde bak ongepaard is. Een lijn begint met dieren die je zelf hebt opgekweekt en die nooit bij een vreemde man hebben gezwommen.
  • De kleur van de vader erft minder recht door dan het handboek zegt: van negen apart gemeten kleurvlekken volgde er geen enkele zuiver het Y-patroon. Voor de totale hoeveelheid oranje geldt het wel.
  • Er bestaat een echte standaard, en sinds de herziening van 2018 kent hij dertien vinvormen in plaats van twaalf. Van de honderd keuringspunten gaan er vierenveertig naar de staart en vijf naar vitaliteit.
  • Een handelsnaam als moscow of snakeskin beschrijft het uiterlijk. Over de herkomst, de lijn of zelfs de manier van overerven zegt hij niets, en namen als koi of dumbo staan in geen enkele standaard.
  • Inteelt kost vooral weerstand tegen parasieten, gemeten in een aparte proef. En wat het aan overleving en zouttolerantie kost, geeft uitkruisen in één Japanse proef precies weer terug.

Wat betekent dit voor jouw bak?

Alquarium leest dit artikel mee en denkt met je mee over jouw aquarium. Gratis, geen account nodig.

Een vrouwtje uit een gemengde winkelbak draagt vrijwel altijd al sperma mee, dus de eerste worpen bewijzen niets over de man ernaast. Waar komen jouw dieren vandaan, en zwemmen de seksen al apart?

  • Of begin hiermee:

Kweken is verwantschap beheren, geen jongen redden

Wie zoekt op kweken, krijgt vrijwel overal uitleg over hoe je jongen redt. Dat is opkweek, en dat is iets anders. Deze vis plant zich in een gewone bak voort zonder dat iemand er iets voor doet. Kweken is dat je over drie generaties nog kunt zeggen wie de vader was, en al het andere op deze pagina volgt daaruit.

Het begint met een val die de meeste mensen pas achteraf zien. Ga er nooit van uit dat een vrouwtje uit een gemengde bak ongepaard is. Guppen slaan sperma op, en zij werpt na de laatste man nog maandenlang door; het gemeten maximum en de reden dat de opgaven daarover uiteenlopen staan bij spermaopslag bij guppen. De eerste worpen van een gekocht vrouwtje bewijzen dus niets over het mannetje dat jij ernaast hebt gezet. [praktijkregel]

Een lijn begint daarom met vrouwtjes die je zelf hebt opgekweekt, en dat vraagt om vroeg scheiden. Rijp zijn ze vroeg: FishBase zet mannetjes op twee maanden en vrouwtjes op drie [literatuurrichtlijn], en twee metingen liggen daaronder, op 45 dagen en op 48 tot 62 dagen [gemeten, via een citerende publicatie]. Wannéér je het aan de bak ziet, geeft geen enkele bron. In een groeistudie kon het geslacht op drie tot vier weken al worden bepaald, door een geoefend oog onder laboratoriumomstandigheden [gemeten]. Kijk daarom vanaf week vier wekelijks van opzij naar de aarsvin en haal eruit wat als eerste tot een stijf staafje versmalt, het gonopodium; twijfelgevallen gaan bij de mannen en niet bij de vrouwen. Twee maanden is je deadline, geen kijkmoment. [praktijkregel]

De route als je met winkelvrouwtjes begint

Vrijwel iedereen begint zo, en dat kan prima. Het levert alleen in de eerste ronde nog geen lijn op.

  1. Zet het gekochte vrouwtje apart en laat haar werpen. Die jongen zijn bruikbare vis, geen kweekmateriaal: wie de vader is, weet je niet.
  2. Kijk vanaf week vier wekelijks en scheid op geslacht, zoals hierboven.
  3. Koppel haar dochters rond drie maanden aan de man die jíj kiest. Dát is generatie 1.

Vanaf de aankoop ben je zo ruwweg vier tot vijf maanden kwijt voordat de eerste worp valt waarvan je het vaderschap kent. [praktijkregel - opgeteld uit de leeftijden hierboven] En zelfs dan: je weet wie de vader is, wie de grootvader was weet je nooit. Die hele omweg vervalt als je begint bij iemand die zijn eigen lijn bijhoudt, en wat je zo iemand moet vragen staat bij de herkomst van guppen.

Daar staat één tegenwerping tegenover, van kweker Diana Walstad. Uitsluitend met maagdelijke vrouwtjes werken heeft ook een prijs: zulke dieren krijgen weinig te maken met de belasting van paren en werpen. In een keuringskweek produceert een vrouwtje soms maar drie worpen in haar hele leven, schrijft zij [praktijkregel - waarneming van één kweker], terwijl wilde guppen gemiddeld tweeëntwintig worpen per vrouwtje halen, met een spreiding van twee tot drieënveertig [gemeten, via haar weergave]. Er wordt zo nauwelijks geselecteerd op vrouwtjes die tegen dat werk kunnen. Zekerheid over het vaderschap en weerbaarheid trekken aan hetzelfde touw, in tegengestelde richting.

Een kweekronde kost meer bakken dan liters

Deze soort is snel volwassen, en dat bepaalt het tempo. FishBase komt op een generatietijd van 0,6 jaar, spreiding 0,2 tot 0,7, geschat als de mediaan van ln(3)/K over tien groeistudies [literatuurrichtlijn]. Dat is ruim anderhalve generatie per jaar.

In een keuringskweek ligt het hoger, en daar zit meteen een rekenfout die je moet kennen. Walstad haalt een Duitse kweker aan die schatte dat zijn vijftig jaar oude stammen tweehonderd generaties achter de rug hadden. Zij rekent dat in haar tekst om naar "een gemiddeld generatie-interval van slechts vier maanden (200 ÷ 50 = 4)", en dat klopt niet met haar eigen som: tweehonderd generaties in vijftig jaar zijn vier generaties per jáár, dus een interval van ongeveer drie maanden. [praktijkregel - schatting van één kweker, via Walstad; de omrekening in de bron is fout]

Reken dus op anderhalf tot twee generaties per jaar in een gewone bak, en op maximaal vier in een strak draaiende keuringskweek. Vier jaar broer-zusparing zijn dan zes tot zestien generaties. [praktijkregel - rekensom uit de getallen hierboven] Ter vergelijking: een onderzoeksgroep die inteelt juist wilde vermijden, gunde zichzelf vier tot acht maanden per generatie, om meerdere worpen per paar te kunnen gebruiken. [gemeten als opzet, Morris e.a. 2020]

Wat níet helpt, is de verwarmer hoger zetten. Warmer water versnelt wel, maar niet op de plek waar een kweker het hebben wil. De dracht wordt korter en mannetjes rijpen eerder, maar bij 24,4 tegen 27,8 graden werden juist de vrouwtjes láter volwassen, en op 30 graden kwamen er tien jongen per moeder tegen zestien bij 27. Boven dat punt gaat het snel achteruit. De metingen staan bij temperatuur voor guppen. [gemeten]

Dan de ruimte, en daar heeft de standaard zelf een uitspraak over. De IKGH-standaard schrijft dat selectie in de hoogkweek zich niet tot een paar kenmerken kan beperken en ook gekoppelde, ongewenste eigenschappen moet meewegen, en dat dat een wezenlijke meerinspanning aan kweekproeven vraagt "met de daarbij horende aantallen bakken". [literatuurrichtlijn]

De Nederlandse hobbysite guppyclub.nl noemt minstens zeven bakjes voor een serieus kweekproject, en verkoopt in hetzelfde stuk twaalf liter als instapbak voor één man met twee vrouwtjes. Dat laatste is ver onder de zestig centimeter of veertig tot zestig liter die de naslagbronnen aanhouden; wat de maat wél is, staat bij bakgrootte voor guppen. [praktijkregel, hobbysite zonder bronvermelding]

Zeven is geen norm. Het is wat je uitkomt als je zelf opschrijft waarvoor elke bak dient: zeven bakken in zes functies.

Bak Waarvoor Hoe lang
Twee opkweekbakken de jonge dieren van twee families, apart van elkaar tijdelijk, per worp
Mannenbak de zonen die je nog beoordeelt permanent
Vrouwenbak de dochters, ongepaard, tot je ze koppelt permanent
Paringsbak één man bij enkele vrouwen, met de datum erop tijdelijk, dagen
Ouderdierenbak de dieren die je aanhoudt om te zien wie het lang volhoudt permanent
Restbak alles wat je niet doorkweekt permanent

[praktijkregel - eigen indeling] Voor de vier bakken waar dieren blijven wonen geldt die maat onverkort. Een opkweekbak of een paringsbak is tijdelijk; wat er in een opkweekbak wel en niet moet, staat bij de opkweek van guppenjongen.

Zet in de paringsbak één man bij twee tot vier vrouwen, niet bij één. Eén op één kan als je per se één vaderschap wilt vastleggen, maar dan voor dagen en niet voor weken, want voor haar is dat de zwaarste combinatie die er bestaat. Hoe zo'n opzet er in de enige gepubliceerde kweekproef aan zijn naaste verwant uitzag, staat bij de endlers. [praktijkregel]

De restbak wordt het vaakst vergeten. Selecteren betekent per definitie dat je een minderheid aanhoudt: wie twee rondes per jaar draait, heeft binnen een jaar honderden dieren waarvan hij er een handvol gebruikt. [praktijkregel] Weet dus vóór de eerste worp waar de rest heen gaat.

Een koppel dat niet werpt heeft bijna altijd één van zeven oorzaken

De omgekeerde vraag komt ook, meestal na een maand of drie. Een koppel dat niet werpt is zeldzaam, en er is maar een handvol verklaringen. [praktijkregel, tenzij anders vermeld]

  • Er zit geen vrouwtje bij. Twee felgekleurde dieren met een staafje onder de buik zijn twee mannen. Kleur is bij kweeklijnen geen geslachtskenmerk meer.
  • Ze zijn nog te jong. Twee maanden voor de man, drie voor de vrouw. [literatuurrichtlijn]
  • Er komen wel jongen, maar je ziet ze niet. Volwassen dieren eten hun eigen nakomelingen op, en zonder dichte beplanting overleeft er in een gezelschapsbak weinig.
  • Het opgeslagen sperma is op. Maanden na de laatste man raakt de voorraad uitgeput. Zet er een man bij en tel opnieuw.
  • Ze is te oud. In een proef met vierentachtig vrouwtjes die bij élke worpronde opnieuw werden gepaard, waren er bij de achttiende ronde nog drie aan het werpen, en die gaven er gemiddeld vijf. Aan sperma kan dat niet gelegen hebben; de onderzoeker wijt het aan verouderende eierstokken. [gemeten, via Walstads weergave]
  • Het is te warm. Zie hierboven: boven de dertig graden werkt warmte tegen je.
  • De lijn is te nauw geworden. Kleinere dieren en minder vruchtbare vrouwtjes horen bij het eerste wat inteelt kost. [gemeten] Daarover gaat de rest van dit stuk.

Een naam op het kaartje beschrijft het uiterlijk, niet de lijn

Een naam op een bakkaartje bestaat uit drie lagen: een basiskleur, een dekkleur of patroon, en een vinvorm. "Blue moscow delta" is dus basiskleur blauw, dekkleur moscow, vorm triangel.

Die middelste laag is in de keuring geen bijzaak. De standaard omschrijft de dekkleur als alles wat van de basiskleur afwijkt, beoordeelt kleur en patroon samen als één geheel, en zet daar tot zesendertig van de honderd punten op. [literatuurrichtlijn] Wat de standaard níet doet, is namen registreren of lijnen vastleggen. De patronen zelf staan er wel in, met omschrijving en al, en dat blijft in Nederlandse lijstjes meestal weg.

Naam Wat de standaard beschrijft
Snakeskin een meanderend patroon in lichte en donkere tinten, als de bochten die een slang in beweging maakt
Lace of filigraan een fijn, netachtig patroon uit lichte en donkere tonen, dat doorloopt in rug- en staartvin
Halfzwart en driekwartzwart de achterste helft of driekwart van het lichaam is zwart, zonder tekening erin
Moscow een zeer intens blauw, zwart of groen op het voorlichaam met metaalglans, tot een volledig gekleurd lichaam aan toe
Mosaic onregelmatige donkere vlekken met wit, geel, rood of blauw ertussen, scherp begrensd en gelijkmatig over de staart. Bestaat volgens de standaard niet bij zwaardstaarten
Blue grass, red grass zeer fijne zwarte stippen gelijkmatig over rug- en staartvin, met een donkerblauwe wig die achter de borstvin begint
Japan blauw, singa blauw metallic lichtblauw over het achterlichaam, of bij singa over het hele lichaam
Galaxy uitdrukkelijk gedefinieerd als een combinatie van metallic en snakeskin-lace
Weens smaragd smaragdgroen met rode en zwarte stippen tussen een meanderpatroon, plus een blauwe pauwoogvlek achterop
Santa Maria een zwart of donkerblauw blok over de bovenkant, met daaronder een andere kleur

[literatuurrichtlijn - IKGH-standaard, versie 2023] De Amerikaanse IFGA-klassenlijst legt er bij snakeskin één harde eis bij: het kettingschakel- of rozetpatroon moet over minstens zestig procent van het lichaam liggen. [literatuurrichtlijn]

En dan de namen die je op Nederlandse kaartjes wél ziet maar in geen van beide teksten: tuxedo, cobra, koi, dumbo of elephant ear, en full red. [hiaat] In de handel wordt tuxedo gebruikt voor dieren met het halfzwart-beeld en cobra voor verticale zebrastrepen zónder dat kettingpatroon. Dat tweede patroon beschrijft de IFGA wel, en zulke dieren gaan daar naar de kleurklasse van hun staart, maar de naam cobra gebruikt zij niet. [praktijkregel - gangbaar hobbygebruik; de koppeling van die twee namen aan die twee patronen is de onze en niet die van een standaard] Voor koi, dumbo en full red vonden we zelfs dat niet.

Dat is geen slordigheid van de standaard maar een procedure. Een nieuwe vorm komt erin als hij in twee opeenvolgende jaren op drie verschillende internationale keuringen als nieuwe standaardvorm is ingezonden en er daarna een tweederdemeerderheid van de aangesloten verenigingen voor stemt. [literatuurrichtlijn] Wat daar niet doorheen is gegaan, staat er niet in. Dat maakt zo'n naam niet waardeloos, alleen ongedekt.

En dan de eigenlijke valkuil, scherper dan "het is maar een naam": dezelfde naam staat niet eens voor dezelfde overerving. Een Duitse kwekersbron beschrijft dat het moscow-kenmerk aanvankelijk alleen door het mannetje werd doorgegeven en inmiddels ook door vrouwtjes, dat halfzwart precies de omgekeerde weg aflegde, en dat japan blauw dezelfde kant op schuift als moscow. [literatuurrichtlijn - kwekersbron, geen meting] Twee winkels kunnen dus allebei "blue moscow" verkopen uit lijnen die niets met elkaar te maken hebben en zich in de kweek ook nog eens anders gedragen.

Wat dat praktisch kost, laat galaxy zien. Dat patroon is metallic, dat gewoonlijk via het Y-chromosoom komt, gecombineerd met filigraan, dat via het X komt. Dezelfde kwekersbron schrijft dat het daardoor heel moeilijk is om drie showmannetjes met bijna hetzelfde patroon bij elkaar te krijgen, en dat je die dieren om die reden nauwelijks op tentoonstellingen ziet. [literatuurrichtlijn - kwekersbron] Dat is precies wat een keuring vraagt: een inzending moet in alle kenmerken overeenkomen, en te grote afwijkingen binnen een set leiden tot uitsluiting. [literatuurrichtlijn] Vraag dus naar de kweker en naar hoeveel generaties zijn lijn al draait, niet naar het bakkaartje. [praktijkregel]

Dertien vinvormen, honderd punten, en de staart weegt het zwaarst

Er bestaat een echte standaard, en dat is wat guppenkleurslagen onderscheidt van een verkoopnaam. Die IKGH-standaard kwam er in 1981, op initiatief van de Oostenrijkse Guppygesellschaft en voortbouwend op het standaardwerk dat Dr. O.M. Störzbach in de vroege jaren vijftig maakte, zodat op alle Europese keuringen dezelfde maat zou gelden. [literatuurrichtlijn]

Bijna elke Nederlandse en Duitse pagina schrijft dat hij twaalf vormen kent. Dat klopt sinds 2018 niet meer. In de herziening van dat jaar is de halvemaanstaart als dertiende vorm bij de grootvinnigen gezet, met een nieuwe nummering die vanaf het keuringsseizoen 2020 wordt gebruikt; de standaardtekst zelf spreekt sindsdien van dertien erkende standaarden. De Oostenrijkse en de Britse verenigingspagina's noemen er nog steeds twaalf. [literatuurrichtlijn - tegenspraak tussen de verenigingspagina's en de standaardtekst zelf]

Alle dertien verschillen uitsluitend in de staartvorm. Een naam die over een andere vin gaat, zoals sailfin over de rugvin, kan er dus per definitie geen van zijn.

Groep en naam Op het kaartje Wat je aan de staart ziet
Grootvinnig: waaierstaart fan tail driehoek van 45 graden, zo lang als het lichaam
Grootvinnig: triangel delta tail driehoek van 70 graden, acht tiende van de lichaamslengte
Grootvinnig: sluierstaart veil tail gebogen randen, breedst op driekwart, achterrand hol
Grootvinnig: vlagstaart flag tail een rechthoek: acht tiende lang, vier tiende breed
Grootvinnig: halvemaanstaart half moon tail een halve cirkel van 180 graden, twee derde van de lichaamslengte lang en vier derde van die lengte hoog
Zwaardtype: dubbelzwaard double sword ovale basis, zwaardpunt boven én onder, hoek van 30 graden
Zwaardtype: bovenzwaard top sword ovale basis, één zwaard aan de bovenrand, 15 graden omhoog
Zwaardtype: onderzwaard bottom sword hetzelfde, maar het zwaard steekt naar beneden
Zwaardtype: lierstaart lyre tail ronde basis, buitenste vinstralen naar buiten gebogen
Kortvinnig: spadestaart spade tail evenwijdige randen, half zo lang als het lichaam
Kortvinnig: speerstaart spear tail een speerpunt, acht tiende lang
Kortvinnig: rondstaart round tail een cirkel, doorsnede een halve lichaamslengte
Kortvinnig: naaldstaart pin tail ronde basis met de middelste stralen verlengd tot een naald

[literatuurrichtlijn - IKGH-standaard, versie 2023]

De Amerikaanse standaard beschrijft dezelfde vormen met een andere meetlat. Voor delta geeft hij een bereik van 55 tot 75 graden waar de IKGH één ideaal van 70 noemt, en voor veil geeft hij 40 tot 50 graden waar de IKGH helemaal geen hoek gebruikt maar de kromming van de randen. [literatuurrichtlijn] En de Nederlandse vormnamen zijn gewoon nog in gebruik: LICG noemt de vlagstaart, het onderzwaard, de rondstaart en de speerstaart, vier uit diezelfde reeks. [literatuurrichtlijn]

Gekeurd wordt er op een trio, een man met twee vrouwen uit dezelfde lijn, en die keuring verdeelt honderd punten: lichaam 28 (lengte 8, vorm 8, kleur 12), rugvin 23 (lengte 5, vorm 8, kleur 10), staartvin 44 (lengte 10, vorm 20, kleur 14) en vitaliteit 5. [literatuurrichtlijn] De staart weegt dus zwaarder dan het hele lichaam, en vitaliteit weegt het lichtst van alles. Bij een paar-inzending komt het er nog scherper uit: het mannetje kan honderd punten halen, het vrouwtje tien, en van die tien gaat er geen enkele naar kleur.

De opstellers zijn zelf het scherpst over wat daaraan schuurt. De Oostenrijkse vereniging schrijft dat acht punten voor de lichaamsvorm te weinig ruimte geven, terwijl acht punten voor lichaamsgrootte juist te veel zijn — groot worden kan bij een van nature kleine vis geen kweekdoel zijn. Störzbach gaf voor grootte in de jaren vijftig maar vijf punten, en hadden ze dat aantal niet verhoogd maar gehandhaafd, schrijft dezelfde tekst, dan was ons zeker veel bespaard gebleven. [literatuurrichtlijn] Over de aftrekpunten voor te lange vinnen die er in 1995 bij kwamen zegt zij iets anders dan je zou verwachten: die waren overbodig geweest als alle betrokkenen de standaard goed hadden begrepen en toegepast. En in dezelfde adem staat de zuurste zin van het hele stuk, namelijk dat die regel strenger wordt toegepast op vormen waarbij het voor het welbevinden van de vis weinig uitmaakt dan op vormen waarbij overmaatse vinnen veel zwaarder aankomen. [literatuurrichtlijn]

Dat puntenstelsel is ouder dan de standaard zelf. De NBAT beschrijft dat in 1941 op een tentoonstelling in Berlijn voor het eerst met honderd punten werd gewerkt, en dat dat aantal nooit meer is losgelaten. [literatuurrichtlijn]

Dan de basiskleuren, en daar begint het te schuiven. De standaardtekst somt er tien op: wildgrijs, goud, blond, blauw, pink, albino, wit, zilver, crème en lutino, en noemt zelf geen aantal. Drie daarvan zijn dubbelrecessieve combinaties van de eerdere: wit uit blond en blauw, zilver uit blauw en goud, crème uit blond en goud. [literatuurrichtlijn] De Oostenrijkse verenigingspagina schrijft dat de standaard er negen kent en drukt vervolgens diezelfde tien af; die bron spreekt zichzelf dus tegen. [literatuurrichtlijn] Een Berlijnse wedstrijdkweker komt op een derde lijst: zeven, of negen als je zijn drie blauwvarianten los telt, zonder pink, wit, zilver en crème maar mét hellblauw. Hij claimt geen volledigheid en beschrijft wat hij zelf houdt. [literatuurrichtlijn - kwekersbron] Wie een rond getal zoekt, moet weten dat het niet bestaat.

De kleur erft anders dan het handboek zegt

Het klassieke beeld kent iedereen: kleur gaat van vader op zoon, dochters blijven grijsbruin. Dat komt uit een inventarisatie die zestien sierkenmerken volledig aan de Y toeschreef, vierentwintig die recombineren tussen X en Y, en twee X-gebonden. [literatuurrichtlijn] Die inventarisatie hebben wij zelf niet kunnen inzien; de telling staat hier omdat de studie hieronder haar letterlijk aanhaalt.

In 2020 is daar iets belangrijks bijgekomen. Een onderzoeksgroep mat negen kleurvlekken apart in plaats van "de kleur" als geheel: vier oranje en vijf zwarte, bij 214 mannelijke nakomelingen uit negentien stamboomkruisingen over drie generaties, met 171 mannen uit de stampopulatie als vergelijking. De dieren kwamen uit een stam uit de Quare op Trinidad, in 1998 verzameld en sindsdien in grote aantallen vrij parend gehouden; geen keuringslijn dus. Geen enkele vlek vertoonde het overervingspatroon dat je bij een zuiver Y-gebonden kenmerk zou verwachten, namelijk dat álle zonen het kenmerk van hun vader dragen. Bij twee van de negen had de meerderheid van de zonen zelfs juist het tegenovergestelde. [gemeten]

Dat betekent niet dat er niets van vader op zoon gaat. Voor één oranje vlek leek negentig procent van de zonen op de vader, met een erfelijkheidsgraad van 0,776 [gemeten]. Alleen: negentig procent is geen honderd, en dat is precies waar het bij Y-koppeling om draait.

Voor de samengestelde maat, het totale oranje oppervlak, vonden ze het Y-effect wél. Zij maten het effect van de grootvader op zijn kleinzonen: 0,807 via de vaderlijn tegen 0,232 via de moederlijn. Dat zijn coëfficiënten uit hun model, waarin een hoger getal een sterker verband betekent — ruim drie keer zo sterk via vaders kant dus. [gemeten] Diezelfde soort maat laat zien hoe scheef het tussen kleuren ligt: voor het totale oranje oppervlak vonden ze een erfelijkheidsgraad van 0,678, voor het totale zwarte oppervlak 0,038. [gemeten] Oranje geef je door, zwart nauwelijks.

De tegenspraak met de oude telling is niet dat één van beide fout is. De auteurs noemen zelf onder meer twee verschillen. Het eerste is de maat: wie de hoeveelheid kleur meet, ziet de vaderlijn; wie de losse vlekken meet, ziet hem niet. Het tweede is het materiaal: veel van het oude Y-bewijs komt uit kweekvormen die in het wild niet voorkomen, en dit werk komt uit een wilde stam. Zij zetten er ook twee voorbehouden bij hun eigen uitkomst bij: hun stam kan in ruim twintig jaar laboratorium de Y-koppeling zijn kwijtgeraakt, en Y-koppeling verschilt sterk tussen wilde Trinidadse populaties. Beide achten ze onwaarschijnlijk, maar ze noemen ze wel.

Wat dat aan de bak verandert: selecteer op het totaalbeeld over een hele groep zonen, niet op één mooie vlek bij één zoon. Dat twee broers er verschillend uitzien, is geen fout in je lijn. Met één voorbehoud dat de auteurs zelf aanreiken: voor een sterk doorgekweekte keuringslijn is dit niet gemeten, en juist dáár kwam het oude Y-bewijs vandaan. [hiaat]

En de vraag die daar direct achteraan komt, is de vraag die dit onderzoek niet beantwoordt. Wat je krijgt als je twee kleurslagen kruist, en na hoeveel generaties selectie een kenmerk vastligt, is voor deze soort niet in een bruikbaar getal gevat. [hiaat] Voor de vinvorm geldt hetzelfde: er is geen overervingsmodel gepubliceerd dat je aan de bak kunt gebruiken. [hiaat] De praktische consequentie is dezelfde als hierboven: reken op een mengbeeld in de eerste generatie, en beoordeel de groep, niet het mooiste dier erin.

Lange vinnen kosten zwemvermogen, en dat is wél gemeten

Over staartvormen bij guppen wordt veel beweerd en weinig gemeten. Eén ding is wel netjes gemeten. Bij 36 mannetjes met staarten van 27,4 tot 85,2 procent van hun standaardlengte zwommen de langstaartige dieren significant slechter; hun kritische zwemsnelheid lag lager, ook na correctie voor lichaamslengte. De rugvinnen waren daarvoor operatief op één maat gebracht, dus het effect is van de staart. Bij de 35 vrouwtjes ernaast deed staartlengte niets; daar bepaalde de lichaamsgrootte het. [gemeten]

En in het veld, over tien vindplaatsen in een rivier op Okinawa waar de soort sinds de jaren zeventig verwilderd voorkomt, met stroomsnelheden van 0,8 tot 9,8 centimeter per seconde, hing de staartlengte van de mannen sterk negatief samen met de stroming (r = -0,86; P = 0,001): hoe sneller het water, hoe korter de staarten. [gemeten]

De standaard zelf is daar opvallend eerlijk over. Vinnen zijn de voortbewegingswerktuigen van een vis, schrijft de IKGH-tekst, en ze moeten die beweging mogelijk maken en niet bij het zwemmen hinderen, "zoals dat helaas vaak het geval is". [literatuurrichtlijn]

Wat je hier niet uit mag afleiden, is dat een sluierstaart sneller vinrot krijgt. Die claim staat op talloze hobbysites, maar er is geen meting voor gevonden. [praktijkregel] Wat er wel uit volgt is bescheidener: zet geen stevige stroming in een bak met grootvinnige dieren, en verwacht van zo'n vis geen sprint.

En één ding dat we niet kunnen invullen. Er is geen publicatie gevonden die het gen achter de sluierstaart bij deze soort aanwijst. De vormstandaards gaan ver terug — de eerste, van de vereniging Nymphea in Leipzig, dateert van kort na 1914 en bleef tot in de jaren dertig in gebruik [literatuurrichtlijn] — maar het moleculaire verhaal erachter is voor de gup niet rond. [hiaat]

Inteelt bij guppen kost het meest waar je het niet ziet

"Inteelt is slecht" is te grof. Het gemeten beeld is preciezer, en juist daardoor bruikbaar.

Het duidelijkst zit het effect op weerstand. In een opzet met drie kweekregimes naast elkaar — broer-zusparing, vermeden verwantschap en willekeurige paring — droegen de ingeteelde dieren een significant hogere gemiddelde belasting met de huidworm Gyrodactylus turnbulli, en ze waren trager in het opruimen van die besmetting. [gemeten] Diezelfde onderzoeksgroep had eerder in een veldopstelling in Trinidad gemeten hoe hard dat kan uitpakken zodra zulke dieren echte parasieten tegenkomen. Dat cijfer wordt veel aangehaald en hoort hier niet doorgerekend te worden naar een winkelbak, want er zit behalve inteelt ook het ontbreken van eerdere blootstelling in.

Waar inteelt níet overal even hard aankomt, is bij de rest van het dier. Een Japanse studie mat zes eigenschappen bij broer-zusparing: lengte bij de geboorte, overleving op dag 120, het aandeel niet-dwergen op dag 120, lengte op dag 120, zouttolerantie en hittetolerantie. De achteruitgang liep per eigenschap uiteen van -1,0 tot 24,6 procent, en alleen bij overleving op dag 120 en bij zouttolerantie was het effect significant. Groei en hittetolerantie bleven binnen de ruis. [gemeten - samenvatting gelezen, artikel zelf afgeschermd]

Diezelfde studie levert meteen het beste argument vóór uitkruisen dat er is. Kruising tussen genetisch verschillende stammen gaf een winst die opliep tot 42,2 procent, en die zat op exact dezelfde twee eigenschappen. De auteurs schrijven het zelf zo op: wat door inteelt is gedaald, kan door kruisen worden teruggehaald. [gemeten] Let op wat dat wel en niet zegt. Het weerstandsverlies is in een ándere proef gemeten, en dat uitkruisen ook dát terugbrengt, staat er niet.

En de eerlijke andere kant: kwekers doen dit niet uit onwetendheid. Nauw verwante dieren aan elkaar paren is precies wat een kleurslag vasthoudt. De vraag is niet óf je verwantschap opbouwt, maar hoe snel, en met hoeveel vangnet.

Verwantschap beheer je met een schema, niet met een gevoel

Twee families volstaan niet. Daar loop je in generatie drie of vier alsnog vast, want dan is alles wat je hebt familie van alles wat je hebt. Werk daarom met drie lijnen en een vaste rotatie: A maal B, B maal C, C maal A. Zo hoef je nooit binnen één lijn te paren en bouw je verwantschap op in een tempo dat je zelf kiest. [praktijkregel - eigen uitwerking]

Hoe vaak er dan vers bloed bij moet, in generaties uitgedrukt, geeft geen enkele bron. [hiaat] Wat er wél is, is de rekenregel waar het op draait, en die staat in een voetnoot bij Walstad: het verlies aan genetische variatie bedraagt ongeveer 1 gedeeld door tweemaal het aantal fokdieren, per generatie. [literatuurrichtlijn] Reken dat één keer door en je snapt waarom een lijn zo snel dichtloopt. Met zes fokdieren per generatie verlies je ruim acht procent van je variatie per ronde; met twintig is dat tweeënhalf. [praktijkregel - rekensom met die regel] Over tien generaties is dat het verschil tussen een lijn die op is en een lijn die nog wat te kiezen heeft. Het aantal dieren waarmee je doorkweekt doet dus meer dan de vraag hoe vaak je iets nieuws haalt.

Let daarnaast op signalen: worpen die kleiner worden, meer uitval in de eerste maand, en misvormde ruggen. Aan de kromming alleen zie je de oorzaak niet — inteelt, een vitamine C-tekort en de erfelijke vorm die curveback heet geven hetzelfde beeld. Voor de keuring maakt dat niets uit: een bolle rug, een holle rug of een verkromde ruggengraat leidt tot uitsluiting van de hele inzending. [literatuurrichtlijn]

De bruikbaarste bron over de rest is geen handboek maar een kweker die het bij haar eigen dieren bijhield: Diana Walstad. Eigen bakken, geen controlegroep, wel getallen en een naam. [praktijkregel]

  • Selecteer pas als een dier zich bewezen heeft. Rond drie tot vier maanden kiest zij eruit wat haar bevalt, maar ze houdt de jongen van een ouderdier pas aan als dat de acht maanden heeft gehaald. Haalt het dier die grens niet, dan gaan zijn jongen alsnog weg.
  • Vermijd broer-zusparing over meerdere generaties achter elkaar. Plan in plaats daarvan paringen tussen neven en nichten, of halfbroers en -zussen.
  • Kruis periodiek uit naar een lijn die om háár lange leven bekendstaat, niet zomaar naar een andere herkomst.
  • Gebruik oudere vrouwtjes. Een eerste worp telt soms minder dan tien jongen, terwijl een grote vrouw van zeven tot twaalf maanden er ruim zestig kan geven. Meer jongen is meer om uit te kiezen.
  • Maar niet de állerlaatste worpen. Van een heel oud vrouwtje dat niet meer normaal werpt houdt zij de jongen niet aan, omdat verouderende voortplantingsorganen mutaties doorgeven.

Waarom wachten zoveel oplevert, laat één tabel bij haar zien. Uit de proef met vierentachtig vrouwtjes die hierboven al langskwam koos zij de acht zwakste en de acht sterkste en legde hun worpen naast elkaar. De eerste vier worpen waren vrijwel even groot; in de vierde gaven de zwakste er zelfs meer. Over hun hele leven produceerden de sterkste er 267 tegen 55. [gemeten, via haar weergave] Op jonge leeftijd is er dus niets aan te zien; alleen door te wachten wordt het zichtbaar. Bij de mannen ziet zij hetzelfde: een dier dat er op zes maanden nog gaaf uitzag kreeg op zeven maanden vinrot, wat zij las als vroege veroudering, en zij gebruikte zijn even mooie broer.

Achter dat wachten zit ook het argument tegen haast. Wie alleen met de eerste worpen doorkweekt, verkort het generatie-interval en geeft zwakke vrouwtjes precies dezelfde kans als sterke. Er wordt dan op niets meer geselecteerd — niet op levensduur, niet op vruchtbaarheid, niet op weerstand. [praktijkregel]

Noteer per bak de geboortemaand en het ouderpaar. Zonder dat is je stamboom na twee jaar een gok, en dan is elk advies hierboven onuitvoerbaar. [praktijkregel] En twee dingen helpen een lijn stil om zeep. Het eerste is de naaste verwant erbij houden: die kruist moeiteloos en de nakomelingen zijn vruchtbaar, dus je houdt na een paar generaties geen van beide zuiver over. Het tweede is dat ene vrouwtje dat eerder ergens anders heeft gezwommen, en dat is dezelfde val als aan het begin van dit stuk.

Nederland heeft de vereniging, maar niet het register

Poecilia Nederland gaat terug op de Nederlandse Guppenkring van 1950, werd in 1984 als werkgroep opnieuw opgezet en is sinds 1988 een vereniging met statuten. [literatuurrichtlijn] Er lopen hier twee keuringstradities door elkaar. Bij Poecilia hoort bij elke bijeenkomst een tafelschouw: een keuring van de dieren die leden zelf meebrengen, met een beker voor het Nederlandse guppenkampioenschap. De NBAT doet iets anders: daar beoordelen bondskeurmeesters vivaria, dus aquaria, terraria en vijvers, aan de hand van keuringsrichtlijnen van het College Bondskeurmeesters. Dat is een keuring van een bak, niet van een vis. [literatuurrichtlijn] Wie zijn dieren wil laten beoordelen, moet dus bij de eerste zijn.

De band met de internationale standaard loopt via personen, niet via een reglement: Poecilia Nederland schrijft dat haar guppenkenner als vertegenwoordiger voor Nederland de vergaderingen van de IKGH bezoekt. Of de Nederlandse NBAT-richtlijnen formeel aan die standaard hangen, hebben wij niet bevestigd gekregen. [hiaat]

En dan het eerlijkste stuk van die verenigingsgeschiedenis. De eigen visregistratie komt volgens de vereniging al jaren niet goed van de grond, omdat de mutaties niet of veel te langzaam worden doorgegeven, en er staat onomwonden bij dat echt goede en standvastige kwekers er altijd te weinig zijn geweest. [literatuurrichtlijn] Wat daar wél werkt, is het interessantst voor wie een lijn wil vasthouden: voor een aantal soorten hebben groepen leden de kweek gezamenlijk op zich genomen, en door roulatie en uitwisseling blijven die soorten in Nederland en België in stand. [literatuurrichtlijn] Dat is in de praktijk het antwoord op de vraag waar je vers bloed vandaan haalt. Niet uit een register, maar uit een kring van mensen die dezelfde lijn draaien.

Voor wie vandaag begint is de route kort. Zoek dieren met een bekende afkomst, noteer vanaf dag één wie van wie is, en scheid de seksen ruim voordat de aarsvin je vertelt wat het geworden is. De rest is geduld, en dat kost geen extra bak.

BronnenMorris, Darolti, van der Bijl & Mank, 2020, High-resolution characterization of male ornamentation and re-evaluation of sex linkage in guppies, Proc. R. Soc. B 287:20201677 (de telling van Lindholm & Breden 2002 is hier gelezen via het letterlijke citaat; die publicatie zelf is niet geopend en staat daarom niet apart in deze lijst) - https://www.zoology.ubc.ca/mank-lab/pdf/2020%20PRSB%20Colour.pdf · Karino, Orita & Sato, 2006, Long tails affect swimming performance and habitat choice in the male guppy, Zoological Science 23(3):255-260 (de veldmetingen komen uit de Hiji op Okinawa, waar de soort in de jaren zeventig is uitgezet) - https://bioone.org/journals/zoological-science/volume-23/issue-3/zsj.23.255/Long-Tails-Affect-Swimming-Performance-and-Habitat-Choice-in-the/10.2108/zsj.23.255.full · Smallbone, van Oosterhout & Cable, 2016, The effects of inbreeding on disease susceptibility: Gyrodactylus turnbulli infection of guppies, Poecilia reticulata, Experimental Parasitology 167:32-37 (samenvatting) - https://ueaeprints.uea.ac.uk/id/eprint/58972/ · van Oosterhout, Smith, Hanfling, Ramnarine, Mohammed & Cable, 2007, The guppy as a conservation model: implications of parasitism and inbreeding for reintroduction success, Conservation Biology 21(6):1573-1583 (samenvatting; de eerdere veldopstelling van dezelfde groep, met drie kweekregimes over vier generaties) - https://pure.uhi.ac.uk/en/publications/the-guppy-as-a-conservation-model-implications-of-parasitism-and-/ · Nakadate, Shikano & Taniguchi, 2003, Inbreeding depression and heterosis in various quantitative traits of the guppy, Poecilia reticulata, Aquaculture 220:219-226 (samenvatting; het artikel zelf is afgeschermd) - https://europepmc.org/article/AGR/IND43616679 · Hernandez-Lopez & Luna-Vivaldo, 2021, Life history traits of Endler's fish (Poecilia wingei), AACL Bioflux 14(3):1727-1733 (de kweekopzet met vier vrouwen op een man) - https://bioflux.com.ro/docs/2021.1727-1733.pdf · FishBase, Poecilia reticulata (generatietijd 0,6 jaar geschat uit tien groeistudies; rijpheid op twee en drie maanden) - https://fishbase.se/summary/Poecilia-reticulata · IKGH, International Guppy High-Breed Standards, versie 2023 (de standaardtekst zelf: dertien standaardvormen, de puntenverdeling, de basiskleuren, de twintig dekkleurcodes, de uitsluitingsgronden en de procedure voor een nieuwe vorm) - http://www.ikgh.org/wp-content/uploads/2023/05/IHS-Version-2023.pdf · Oesterreichische Guppy Gesellschaft, Bewertung - IKGH-Guppystandard (de geschiedenis vanaf 1981, en het eigen commentaar op de standaard, inclusief de aftrekpunten van 1995 en de punten voor lichaamsgrootte) - https://www.oegg.net/guppyzucht/ikgh-guppystandard/ · Guppy Club of Great Britain, Principals en de standaardpagina's per staartvorm (de vormbeschrijvingen in het Engels, met de minimummaten en de uitsluitingsregel) - https://www.gcogb.co.uk/page12.html · Guppy Hobby (H.E. Magoschitz), Deckfarben (kwekersbron, geen meting; de verschuivende overerving van moscow, halfzwart en japan blauw, en galaxy als kruising van metallic en filigraan) - http://www.guppy-hobby.de/?topic=bestimmung&sub=deckfarben · Guppy Hochzucht Berlin, Grundfarben des Guppy (kwekersbron; beschrijft de eigen kweek, zonder aanspraak op volledigheid) - https://guppy-berlin.de/grundfarben-des-guppy/ · IFGA-showstandaard, weergegeven op Guppies Onli (de klassenlijst, de zestig-procent-eis bij snakeskin, de verticale zebrastrepen, en de hoeken voor delta en veil) - https://guppiesonli.wordpress.com/judging-standards/ifga-standard/ · NBAT (Nederlandse Bond Aqua Terra), Het miljoenenvisje, de gup (de eerste vormstandaard van Nymphea Leipzig en het puntenstelsel van 1941) - https://nbat.nl/het-miljoenenvisje-de-gup/ · NBAT, Keuringen (keuringsrichtlijnen van het College Bondskeurmeesters, beoordeling van vivaria) - https://nbat.nl/keuringen/ · Poecilia Nederland, Geschiedenis (1950, 1984, 1988, de tafelschouw, de IKGH-vertegenwoordiging, de haperende visregistratie en de roulatiegroepen) - https://poecilia.nl/geschiedenis/ · Walstad, 2022, Guppy Longevity (een kweker over haar eigen bakken, zonder controlegroep; bevat ook haar weergave van het 22-worpengemiddelde, de fitness-tabel, de vuistregel voor variatieverlies en het Duitse generatie-interval) - https://dianawalstad.com/wp-content/uploads/2022/03/longevity-march-2022a.pdf · LICG (Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren), Guppy (de Nederlandse vormnamen) - https://www.licg.nl/aquariumdieren/guppy/ · GuppyClub.nl, Een guppy aquarium beginnen voor beginners en kwekers (hobbysite zonder bronvermelding; noemt zeven bakjes en twaalf liter voor een trio) - https://guppyclub.nl/aquarium-basics/guppy-aquarium-beginners-kwekers/

Wat betekent dit voor jouw bak?

Alquarium leest dit artikel mee en denkt met je mee over jouw aquarium. Gratis, geen account nodig.

Je hebt het stuk uit. Wat wil je weten over jouw eigen bak?

  • Of begin hiermee:

Verder lezen

Alles over vissen