Hoe het werkt
Voeren: de tweeminutenregel en wat eronder zit
Bijna elk probleem in deze bibliotheek begint bij het voerbusje. Ammoniak, nitriet, nitraat, algen en een slakkenplaag zijn allemaal gevolgen, en overvoeren is bij alle vijf de meest voorkomende oorzaak. Het goede nieuws: dit is het enige knopje dat helemaal gratis is.
In het kort
- Geef nooit meer dan de vissen in een tot twee minuten opeten, en haal resten meteen weg.
- Die regel zegt alleen iets over hoeveel, niets over wat. Een bodemvis eet niet mee met wat aan het oppervlak drijft.
- Voer dat niet gegeten wordt verdwijnt niet: het komt als ammoniak terug in je bak.
- Bedelen is aangeleerd gedrag, geen honger. Vissen bedelen ook bij een volle maag.
- Een slakkenpopulatie is een levende voermeter: die groeit alleen bij overschot.
De regel, en wat hij wel en niet zegt
De Nederlandse regel is kort: geef nooit meer dan je vissen in een tot twee minuten opeten, en haal wat overblijft er meteen uit.
Die regel werkt, en het is nuttig om te weten waarom. Hij maakt de hoeveelheid afhankelijk van wat je vissen op dat moment aankunnen, in plaats van van een maat die jij bedenkt. Een bak met tien kleine vissen en een bak met tien grote hebben dezelfde regel en een heel andere portie.
Wat de regel NIET zegt, is minstens zo belangrijk: hij gaat alleen over hoeveel, niet over wat. Twee minuten drijvende vlokken betekent dat je middenzwemmers gegeten hebben. Je pantsermeervallen hebben in die twee minuten niets gezien.
Een eerlijkheid erbij. Engelstalige bronnen houden meestal drie minuten aan, Nederlandse consequent een tot twee. Dat verschil laat zien wat voor soort regel dit is: een afspraak, geen meting. Er is geen onderzoek dat de grens op twee minuten legt.
Waar het voer blijft
Dit is het punt waar de meeste mensen overheen lezen. Voer dat niet gegeten wordt, verdwijnt niet. Het zakt tussen de bodem, het rot, en het komt terug als ammoniak, precies zoals het voer dat wel gegeten is terugkomt via de kieuwen van je vis.
Beide wegen eindigen op dezelfde plek: aan het begin van de stikstofkringloop. Het verschil is de hoeveelheid. Een vis zet een deel van zijn voer om in visweefsel; een rottend vlokje zet alles om in afval.
Overvoeren is niet zonde van het geld. Het is extra ammoniak in een bak die daar niet op berekend is.
Dat verklaart waarom een bak die maandenlang op nul stond ineens ammoniak of nitriet laat zien nadat er iemand anders een week heeft gevoerd. Het bacteriebed groeit mee met de belasting, maar niet in een dag.
Bedelen is geen honger
Vissen leren binnen enkele dagen dat een gestalte bij de bak voer betekent. Daarna doen ze dat gedrag ongeacht of ze honger hebben, want er zit voor hen geen kosten aan.
Dat is het lastigste aan dit onderwerp: de terugkoppeling die je krijgt klopt niet. De vissen kijken je aan, jij voert, ze eten, en dat voelt goed. Het gevolg zie je pas weken later in een testbuisje.
Een maatstaf die dat omzeilt: kijk niet naar de vissen maar naar de bodem. Ligt er tien minuten na het voeren nog iets, dan was het te veel. Dat is preciezer dan elk percentage, want het meet jouw bak in plaats van een gemiddelde.
Hoeveel is het dan wel
Hier hoor ik eerlijk te zijn over hoe hard de cijfers zijn.
In de hobbyliteratuur circuleren voedingspercentages: ruwweg een half tot twee procent van het lichaamsgewicht per dag voor volwassen vis, en twee tot vijf procent voor jonge vis. Die getallen komen uit aggregatoren die er zelf bij zeggen dat het deels een mening is, en uit commerciele voorlichtingssites. Het zijn praktijkregels, geen metingen.
Ik reken ze daarom niet om naar een portie. Om van twee procent bij een groep neons naar een aantal milligrammen te komen, moet je achtereenvolgens hun lengte schatten, die lengte omrekenen naar gewicht met een formule uit heel ander onderzoek, en dat gewicht vermenigvuldigen met een percentage dat zelf een marge van vier keer heeft. Wat er uitkomt ziet er nauwkeurig uit en is dat niet.
De verhouding is wel bruikbaar, want die volgt uit de meetkunde: een vis die twee keer zo lang is, is ruwweg acht keer zo zwaar. Een volwassen maanvis eet dus niet tien keer de portie van een neon omdat hij tien keer zo lang lijkt, maar aanzienlijk meer.
Wat het bij welke vis moet zijn
| Waar hij eet | Wat werkt | Waar het misgaat |
|---|---|---|
| Bovenlaag | drijvende vlokken, insectenvoer | een deksel is hier nodig; deze vissen springen |
| Middenlaag | vlokken en kleine korrels die langzaam zakken | de bek van een neon is kleiner dan standaardvlokken |
| Bodem | zinkende tabletten of granulaat | wat boven al opgegeten is, komt hier nooit aan |
Die laatste rij is de meest gemaakte fout in dit onderwerp. Een pantsermeerval of otocinclus is geen opruimer die van restjes leeft; die heeft eigen zinkend voer nodig, en het beste moment daarvoor is tegen de avond of net na het uitgaan van het licht, als de snelle middenzwemmers niet meer alles wegkapen.
Bij een groep bodemvissen is de controle simpel: zie je ronde buikjes, dan krijgen ze genoeg. Zie je die niet, dan krijgen ze te weinig, hoe schoon de bak er ook uitziet.
Slakken als voermeter
Een slakkenpopulatie groeit naar het voedselaanbod. Dat maakt hem tot het eerlijkste meetinstrument in je bak: gaat het aantal hard omhoog, dan is er structureel meer voer dan er opgegeten wordt.
De reflex is een slakkenmiddel. Dat is de verkeerde volgorde, en het is bovendien riskant: veel van die middelen werken op koperbasis, en koper is dodelijk voor garnalen en slakken bij concentraties waar vissen niets van merken. Minder voeren pakt de oorzaak aan; het middel pakt het gevolg aan en laat de oorzaak staan.
Vasten, vakantie en nieuwe vissen
Een dag overslaan mag. Volwassen gezelschapsvissen hebben daar geen last van, en veel houders doen het wekelijks bewust. Uitzonderingen zijn jonge vis, die groeit en dus vaker moet eten, en soorten met een hoge stofwisseling.
Een week weg is geen probleem. Een gezonde volwassen vis komt een week zonder voer prima door. Een buurman die even bijvoert is in de praktijk een groter risico dan niet voeren, want die ziet niet wat er blijft liggen. Lukt het niet anders, leg dan porties per dag klaar in aparte bakjes.
Na nieuwe vissen: spaarzaam. Ze eten de eerste dagen toch nauwelijks, en het bacteriebed moet meegroeien met de nieuwe belasting. Dat is precies de periode waarin een ammoniakpiek de meeste schade doet.
