Vissen
Guppenbak: dimensioneer op de aanwas, niet op de aankoop
Hoeveel guppen er in zestig liter kunnen is de best gezochte vraag over deze soort, en het antwoord dat je meestal krijgt is een som per liter die alleen op dag één klopt. Het korte antwoord voor een gemengde groep: zes tot acht dieren in de 54 liter van een zestig-centimeterbak, acht tot twaalf in zestig tot tachtig liter — en dat is een startgetal, geen eindstand. Waarom de bronnen het over de minimummaat niet eens zijn, waarom twaalf liter geen instapbak is en welk onderhoudsritme hoort bij een bezetting die vanzelf oploopt: dat is de rest van dit stuk.
In het kort
- In de 54 liter van een gangbare zestig-centimeterbak begin je met twee mannetjes op vier tot zes vrouwtjes, samen zes tot acht dieren; in zestig tot tachtig liter met acht tot twaalf. Bij een gemengde groep is dat een startgetal, bij één geslacht is het meteen het eindaantal.
- Onder de zes dieren zak je door de ondergrens van FishBase, dat guppen in groepen van vijf of meer wil zien. Eén man op twee vrouwen klopt binnen de LICG-band, maar levert er drie op.
- Zestig centimeter is een lengte, geen inhoud: zestig bij dertig bij dertig is 54 liter. De twee bronnen die zestig centimeter noemen zijn bovendien samen één bron: de ene verwijst naar een Duits welzijnsadvies uit 1999, de andere noemt geen bron.
- De veertig liter die overal aan FishBase wordt toegeschreven, staat niet op die pagina. De laagste litergetallen uit de literatuur komen van Seriously Fish (circa 41) en OATA (45).
- Stuur op het nitraat en niet op je telling. Meet vlak vóór elke beurt: loopt dat getal per keer op, dan is de bezetting je wisselschema voorbijgegroeid.
Vijf bronnen, vijf antwoorden — en twee daarvan zijn dezelfde bron
Wie een bak voor guppen zoekt, krijgt van vijf bronnen vijf verschillende litergetallen — 41, 45, 54, 60 en 80 — en twee van die vijf bronnen blijken bij nader inzien één traditie. Geen van de vijf komt uit een proef waarin dezelfde dieren in verschillende bakmaten zijn vergeleken.
| Bron | Wat er letterlijk staat | Komt neer op |
|---|---|---|
| LICG | "een aquarium nodig van tenminste zestig centimeter lang" | 54 liter bij 30 bij 30 |
| FishBase | "minimum aquarium size 60 cm" | idem |
| Seriously Fish | 45 × 30 cm, "41litres" | ongeveer 41 liter |
| OATA | "at least 45 litres for a small group of the smaller species" | 45 liter |
| Tom&Co (Belgische winkelketen) | "minstens 60 liter (zonder reproductie) of minstens 80 liter (met reproductie)" | 60 tot 80 liter |
De eerste vier zijn [literatuurrichtlijn]. OATA is de Britse brancheorganisatie voor de aquariumhandel; haar blad behandelt gup en molly samen en zet die 45 liter uitdrukkelijk bij de kleinere soorten. Tom&Co is een winkelblog zonder bronvermelding en telt als [praktijkregel], maar is wel de enige die een bak zónder kweek en een bak mét kweek onderscheidt — precies de vraag waar dit stuk om draait.
Drie dingen vallen op.
Zestig centimeter is een lengte, geen inhoud. Reken het na: 60 bij 30 bij 30 centimeter is 54 liter [praktijkregel, nagerekend]. In Nederlandstalige winkel- en hobbyteksten staan "zestig centimeter" en "zestig liter" naast elkaar in omloop, en wie ze verwart scheelt al gauw tien procent van zijn water.
Van de twee bronnen die zestig centimeter noemen, is er maar één na te lopen. Het FishBase-veld verwijst naar precies één publicatie: het Gutachten über Mindestanforderungen an die Haltung von Zierfischen van het Duitse ministerie van Landbouw uit 1999, zestien bladzijden [literatuurrichtlijn]. LICG noemt geen bron. Als twee onafhankelijke onderbouwingen tellen kunnen ze dus niet.
En FishBase geeft helemaal geen liters. De veertig liter die je overal aan FishBase toegeschreven ziet — ook in datasets die deze gids zelf gebruikt — staat niet op die pagina. Ik heb hem nagelopen: er staat één aquariumopgave, en die is in centimeters [gemeten, fishbase.se, 4 september 2026]. Dat het geen soortopgave kán zijn, verraadt het getal zelf: in diezelfde lijsten dragen de gup en de endler allebei veertig liter, terwijl ze in het veld ernaast vijf tegen drie centimeter verschillen [praktijkregel, huiseigen invoerstandaard].
De laagste opgaven in de literatuur liggen dus op 41 tot 45 liter [literatuurrichtlijn]; het gangbare advies komt neer op 54 liter [praktijkregel, nagerekend] tot 60 [praktijkregel, Tom&Co]. Wie op dát verschil gaat optimaliseren, kijkt naar het verkeerde getal.
Wat er wél gemeten is, gaat niet over huiskamers
Görelşahin, Yanar en Kumlu zetten in 2018 honderd dagen lang één, twee, drie en vier vissen per liter naast elkaar in een gesloten recirculatiesysteem: tanks van 200 liter, 26 graden, anderhalve volumewisseling per uur. De dieren groeiden van 2,71 naar 4,56 tot 4,99 centimeter, en drie vissen per liter kwam er als optimale dichtheid uit [gemeten].
Twee dingen staan er niet bij: op welk criterium die drie per liter optimaal heet, en welke dichtheid welke eindlengte gaf. Alleen de samenvatting was toegankelijk [hiaat]. De gangbare lezing van zo'n reeks is dat de grootste vissen bij de laagste dichtheid stonden — dan drukt dichtheid dus wel degelijk op de individuele groei, en is dit een reden tot voorzichtigheid en geen vrijbrief.
Drie per liter is bovendien honderdtachtig guppen in 60 liter. Neem dat niet over: het water ververste anderhalf keer per uur, en het waren opgroeiende dieren op weg naar verkoopmaat. Geen groep die zichzelf vermenigvuldigt, dus het getal bevat geen aanwas.
Er is nog een proef die vaak als bakmaatbewijs wordt aangehaald, en dat verdraagt hij niet. Manenti en collega's verdeelden in 2025 driehonderdzestig volwassen dieren over achttien bakken van zestig liter, twintig per bak, 55 dagen lang bij 24 graden [gemeten]. Dat lijkt twintig dieren in zestig liter, ruim twee keer wat verderop in dit stuk staat. Alleen was het een verrijkingsproef en geen dichtheidsproef: wat gemeten werd, is wat kaal, ingericht en beplant met het stresshormoon in het bakwater doen. De dieren kwamen van een kweker, waren volwassen en van bekende leeftijd, gingen eerst een week apart, hadden per bak een eigen pomp van zeshonderd liter per uur — tien keer de inhoud per uur — en kregen wekelijks tien procent vers water. Dat is een laboratorium, geen huiskamer, en er zat geen groep in die zichzelf vermenigvuldigde.
Een proef die bakmaten bij een gelijk aantal dieren vergelijkt, vond ik niet [hiaat].
Twaalf liter is geen instapbak maar een opvangbak
Een veelgelezen Nederlandse hobbypagina, guppyclub.nl, komt op iets heel anders uit, en spreekt zichzelf binnen één zin tegen: "Een aquarium van 30 x 20 x 20 cm is een veelgebruikt advies als absolute minimum voor beginners die niet willen kweken, maar eerlijk gezegd: zelfs een bak van drie meter zou eigenlijk te klein zijn." Even verderop staat wat er in die twaalf liter mag: "In een aquarium van 12 liter kun je één mannetje en twee vrouwtjes houden", en wie geen jongen wil kan kiezen voor drie mannetjes [praktijkregel, guppyclub.nl]. De alinea sluit af met "Maar houd altijd het belang van je vissen in gedachten. Hoe meer ruimte je biedt, hoe gelukkiger je guppen zullen zijn."
Dat is dus geen advies maar een tegenstelling. Dezelfde pagina zegt twee keer dat groter beter is, en zet er tóch een bak van twaalf liter mét dieren in neer. Wat ze nergens doet, is die maat naast de andere leggen. Twaalf liter is een derde tot een vijfde van wat elke andere hier geraadpleegde bron als ondergrens noemt, en er staat geen bron bij [praktijkregel].
Het onderhoudsadvies laat zien waar dat op uitdraait: "Haal elke dag ongeveer een liter water uit je aquarium en vervang dit met vers water." Reken dat na op twaalf liter — ruim acht procent per dag, over een week bijna zes tiende van de bak [praktijkregel, hun eigen cijfers nagerekend]. Dat is ruim twee keer het kwart per week dat OATA aanhoudt [literatuurrichtlijn], en het is geen keuze maar een verplichting: sla je een dag over, dan is er in zo weinig water geen marge.
Als het onderhoudsritme alleen werkt zolang je geen dag overslaat, is niet het ritme het probleem maar de maat.
Wat twaalf liter wél is: een tijdelijke opvangbak. Voor een ziek dier, voor jongen die je apart zet, voor dieren die er weer uit gaan. Niet de bak waarin je begint.
De maat gaat niet over zwemruimte maar over belasting
Het argument voor een grotere bak is nooit zwemruimte geweest. Een gup wordt drie tot zes centimeter [literatuurrichtlijn, LICG] en heeft daar weinig van nodig. Juist daarom lijkt een klein bakje verdedigbaar.
En juist daarom faalt hier de som waarmee de meeste pagina's beginnen. De centimeterregel zet liters water tegenover centimeters vis. Het probleem is niet dat getal maar het aantal centimeters vis waarmee je rekent: bij deze soort verandert dat elke paar weken, terwijl de som naar de dieren van vandaag kijkt.
Wat volume wél doet: dezelfde hoeveelheid afval in meer water is een lagere concentratie, en meer water schommelt tussen twee beurten minder ver door. Een grotere bak koopt geen ruimte maar tijd en rust. Wat er oploopt is nitraat, en dat is meteen het getal waarop je stuurt. De stikstofkringloop moet dus draaien vóórdat de eerste dieren erin gaan, want bij een soort die zichzelf vermenigvuldigt haal je een achterstand daarin niet meer in.
En dat aantal staat niet stil. Zes tot acht op dag één zijn er binnen een half jaar een veelvoud daarvan, en na het eerste kwartaal gaat het juist harder in plaats van af te vlakken, omdat de eerste worp dan zelf geslachtsrijp is. De rekensom staat bij het guppenoverschot. Reken er bovendien op dat het al begonnen is voordat je thuis bent: vrouwtjes staan in de winkel vrijwel altijd bij mannetjes in dezelfde bak [praktijkregel], en zij slaat sperma op en werpt daarna nog maandenlang door zonder man. Hoe lang precies, staat in het deel van deze gids over dracht.
In jouw liters komt het hierop neer
Dit is het getal waarvoor je kwam, en ik zeg er meteen bij waar het vandaan komt: de bronnen hierboven geven bakmaten, geen aantallen. De tabel combineert er drie. De LICG-band van één mannetje op twee tot vijf vrouwtjes [literatuurrichtlijn], het advies van FishBase om guppen in groepen van vijf of meer te houden [literatuurrichtlijn] — vijf is dus ook de ondergrens van het aantal — en verder eigen vuistregel [praktijkregel].
| Jouw bak | Gemengd: waarmee je begint | Alleen mannen |
|---|---|---|
| 20 liter | niet doen | geen guppenbak; hooguit tijdelijke opvang |
| 30 liter | niet doen | geen guppenbak; heb je hem al, houd hem dan als opvangbak en plan de overstap |
| 40 tot 54 liter | 2 mannen op 4 tot 6 vrouwen, samen zes tot acht | zes tot acht |
| 60 tot 80 liter | 2 tot 3 mannen op 6 tot 9 vrouwen, samen acht tot twaalf | acht tot twaalf |
| 100 liter | 3 tot 4 mannen op 9 tot 12 vrouwen, samen twaalf tot zestien | twaalf tot zestien |
De twee bovenste rijen zijn geen aankoopadvies; ze staan er omdat veel mensen zo'n bak al hebben. Onder de veertig liter valt tegenover de literatuur geen maat te verdedigen. Zit je aan de bovenkant van een band, tachtig liter in plaats van zestig, dan mag je naar de bovengrens van het aantal.
De gemengde kolom begint bewust bij zes dieren en niet bij drie, en dat is geen slordigheid maar de hele reden dat die kolom zo staat. Eén man op twee vrouwen valt keurig binnen de LICG-band, maar levert een groep van drie op, en dat blijft onder de vijf die FishBase noemt. Twee mannetjes op vier vrouwtjes is de laagste stand die aan allebei de eisen voldoet [praktijkregel]. Dat is meteen het antwoord op het geval dat het vaakst langskomt: 60 liter met vier mannen en acht vrouwen. De verhouding klopt, één op twee, het aantal is aan de hoge kant, en het is bovendien een startgetal.
De rechterkolom wordt vaker als schone oplossing aangeboden dan hij is. Een groep van uitsluitend mannen neemt de aanwas volledig weg, en daar staat het aantal dus wél stil: het startaantal is er meteen het eindaantal. Het is tegelijk de scheefste seksesamenstelling die er bestaat, en die is nergens gratis — hoe groter het aandeel van je eigen sekse, hoe meer wrijving er binnen die sekse komt. De hele afweging, inclusief hoe groot zo'n groep dan moet zijn, staat bij alleen mannetjes bij guppen.
Tellen de jongen mee? De eerste weken nauwelijks; zodra ze het gewone voer meeëten, ruwweg vanaf een centimeter of een week of vier, tel je ze gewoon mee [praktijkregel]. Maar stuur niet op je telling. Stuur op het nitraat: dat meet wat er werkelijk aan belasting in de bak zit, en het rekent de jongen vanzelf mee.
Dan de vraag die de literatuur niet beantwoordt: welke maat telt. De richtlijnen sturen op lengte, terwijl wat de bak moet verwerken aan de inhoud hangt. Een korte brede bak van 54 liter is dus prima te verdedigen tegenover een lange van 54 liter [praktijkregel]. Over waterdiepte doe ik geen uitspraak in de andere richting: FishBase noemt de soort benthopelagisch en onze eigen soortgegevens zetten hem in de boven- en middenzone [literatuurrichtlijn], dus hij hangt niet uitsluitend aan het oppervlak.
Drie dingen horen bij de bak en komen in geen bakmaatdiscussie voor. Guppen jagen ook vlak onder het oppervlak en kunnen springen, dus neem een bak met deksel of afdekruit [praktijkregel] — bij een lage bak is dat het eerste wat je regelt. Een tropische bak heeft een verwarmingselement nodig; welk vermogen daarbij hoort en op welke stand hij moet staan, staat in het deel van deze gids over temperatuur. En kies de pompcapaciteit op het aantal dieren dat je over een half jaar verwacht. Het apparatuurkader van Seriously Fish noemt bij die 41 liter een filter van 165 tot 205 liter per uur, vier tot vijf keer de inhoud per uur [praktijkregel, uit het apparatuurkader van Seriously Fish], oftewel ruwweg 220 tot 270 bij 54 liter. Twee kanttekeningen horen daarbij: dat kader vermeldt op diezelfde pagina zelf dat het affiliate-links bevat waarop de site kan verdienen, en de lopende tekst van diezelfde pagina raadt sterke stroming juist af ("Strong currents should be avoided"). De praktische vertaling is dus capaciteit kiezen op het aantal dieren en de uitstroom breken, niet vier tot vijf keer de inhoud dwars door de bak jagen.
De keuze die dit alles bepaalt maak je trouwens niet bij de bak maar in de winkel: één geslacht of gemengd. Waaraan je dat staand voor de bak betrouwbaar ziet, staat in het deel over man of vrouw. Voor de maatvoering telt alleen dit: koop je één geslacht, dan blijft het aantal dat je koopt het aantal dat je houdt.
pH en hardheid: onze bovengrens bijt niet, onze ondergrens wel
Dezelfde bronnen, dezelfde tegenspraak, nu over pH en hardheid.
| Bron | pH | Hardheid |
|---|---|---|
| LICG | 7 tot 8 | 9 tot 20 dH |
| FishBase | 7,0 tot 8,0 | 9 tot 19 dH |
| Seriously Fish | 7,0 tot 8,5 | 8 tot 30 dGH |
| OATA | 7,0 tot 8,0 | 8 tot 18 dH, plus KH 5 tot 15 |
| Tom&Co (winkelketen) | rond de 7 | 6 tot 15 dH |
De vier naslagbronnen overlappen ruim, en hun bovengrenzen liggen boven het hardste water dat hier uit de kraan komt: daar loop je nergens tegenaan. Hun ondergrenzen lopen van 8 tot 9 dH [literatuurrichtlijn] — Tom&Co zakt naar 6 [praktijkregel] — en dát is de kant waar het in Nederland wel knelt, want een flink deel van het land zit daaronder. Wat dat per waterbedrijf betekent, en waarom het antwoord meestal "niets doen" is en soms "bijharden op de KH", staat uitgezocht in het hoofdartikel over de gup. Welke van de drie grootheden er eigenlijk toe doet, staat bij de waterhardheid; dH en dGH meten hier hetzelfde en staan daarom in één kolom.
Het schema is een vast percentage, de bezetting niet
Ook hier lopen de bronnen uiteen. LICG adviseert elke twee weken ongeveer een derde, grofweg een zesde per week [literatuurrichtlijn]; Tom&Co houdt hetzelfde ritme aan [praktijkregel]. OATA schrijft een kwart per week voor, anderhalf keer zoveel, en zet er een meetgrens bij: nitraat niet meer dan twintig milligram per liter boven wat er al uit de kraan komt [literatuurrichtlijn].
Die grens werkt pas als je je nulpunt kent. Meet dus één keer het nitraat van je eigen kraanwater en schrijf dat getal op; het verschilt per pompstation, en zonder dat getal is de regel van OATA niet toe te passen [praktijkregel]. Begin verder op een kwart per week: dat is de ruimere van de twee, en bij een soort waarvan het aantal dieren oploopt is dat de veilige kant [praktijkregel].
Beide schema's delen namelijk dezelfde zwakte. Ze noemen een vast percentage per vaste periode, terwijl het aantal dieren in een gemengde bak met elke worp opschuift. Het schema staat stil en de belasting niet. Het praktische antwoord is daarom geen percentage maar een meting [praktijkregel]: noteer het nitraat altijd op hetzelfde moment, vlak vóór de beurt. Komt dat getal elke keer hoger uit dan de vorige, dan is het aantal dieren je schema voorbijgegroeid. Verhoog dan de frequentie en niet het percentage — twee keer een kwart houdt de waarden dichter bij elkaar dan één keer de helft. En zodra je twee beurten per week nodig hebt, is het geen onderhoudsvraag meer maar een afvoervraag.
Twee dingen horen erbij en worden vaak overgeslagen. Hevel het vaste vuil uit de bodem in plaats van alleen water af te tappen, en test wekelijks [literatuurrichtlijn, OATA].
En dan het punt waarop het Engelstalige advies hier juist níet moet worden overgenomen, precies bij de bron die verder de strengste van dit stuk is. OATA schrijft over de filtersponzen: "do not run it under the tap because any chlorine or chloramine present may kill the beneficial bacterial population that has established in the media" [literatuurrichtlijn]. Dat klopt in Groot-Brittannië, want daar zit chloor in het leidingwater. Hier niet: de Nederlandse drinkwaterbedrijven desinfecteren zonder chloor, en alleen PWN en Evides voegen uit voorzorg een minieme hoeveelheid chloordioxide toe [literatuurrichtlijn, Drinkwaterplatform]. Uitknijpen of uitspoelen mag hier dus gewoon onder de kraan. Wat het bacteriebed kost is het schoon poetsen en niet het water.
Eerlijk erbij: onderzoek dat wisselfrequentie tegen guppenbezetting afzet, vond ik niet [hiaat]. Deze regel is afgeleid en geen gemeten uitkomst.
Te krap beginnen is de duurdere fout
Een bak die je te krap kiest, betaal je twee keer. Wie in twaalf of twintig liter start, stelt na drie maanden vast dat het niet houdbaar is en koopt alsnog de grotere bak, plus het tweede verwarmingselement en de tweede pomp. Dat is de duurste route naar veertig liter die er bestaat.
En dan meteen de grens van wat liters kunnen. Bij een gemengde groep koopt volume tijd en geen rust: je verzet er de datum mee waarop het te vol wordt, niet het tempo waarin het vol loopt. Daarom is de bakmaat wel het eerste antwoord op "hoeveel guppen kan ik houden", maar nooit het hele antwoord. Dimensioneer op wat er over een half jaar rondzwemt in plaats van op wat je in de winkel meeneemt, en zorg dat je weet waar de jongen heen gaan vóórdat de eerste worp er is.




