Vissen
Guppenverhouding: één man op twee tot vijf vrouwen
De verhouding tussen mannen en vrouwen is de belangrijkste welzijnsknop in een guppenbak die je zelf in de hand hebt. Je zet hem bij de aankoop vast, en hem later rechttrekken kost je altijd dieren die eruit moeten of dieren die erbij komen. Het lastige is dat de groep die je vanzelf meeneemt als je op uiterlijk uitzoekt, precies de verkeerde kant op staat. En waar die norm op steunt, legt bijna geen Nederlandse pagina uit. Hier staat wat de norm is, wat eronder gemeten is, en wat je in je eigen bak kunt aflezen; zit je hier omdat één dier de hele dag achterna gezeten wordt, spring dan meteen naar "Als het bij jou al scheef staat".
In het kort
- Eén mannetje op twee tot vijf vrouwtjes is de norm van LICG. Die verhouding is nooit experimenteel getoetst; het verschijnsel eronder wel.
- Een verhouding is geen aantal. Het aantal hangt aan je liters: in zestig tot tachtig liter begin je met twee mannetjes op vier tot zes vrouwtjes, samen zes tot acht dieren.
- In twee wilde populaties was gemiddeld 40 procent van de volwassen dieren man, en 95 procent van alle veldmetingen zat op de helft of lager. Evenveel mannen als vrouwen is dus zelf de kunstmatige situatie.
- Hoe groter het aandeel van je eigen sekse in de groep, hoe vaker soortgenoten elkaar aanvallen. Dat geldt voor mannetjes én voor vrouwtjes, dus scheef is ook duur voor wie in de meerderheid zit.
- Uitputting is niet wat er gemeten wordt: onder hoge mannetjesdruk zwemt een vrouwtje juist zuiniger. De rekening ligt bij het eten, en bij de nakomelingen van zwaar lastiggevallen moeders.
De regel, en wie hem stelt
LICG geeft de norm die vrijwel elke Nederlandse pagina over guppen overneemt, en doet dat in één zin: "Neem altijd meer vrouwtjes dan mannetjes omdat de mannetjes de vrouwtjes blijven opjagen om te paren. Eén mannetje per twee tot vijf vrouwtjes werkt het beste." [literatuurrichtlijn]
Let op wat voor reden daar staat. Het gaat over gedrag, niet over voortplanting.
Seriously Fish zegt hetzelfde zonder getal: houd meerdere vrouwtjes per mannetje, want mannetjes kunnen behoorlijk fel zijn in hun voortdurende achtervolging. [literatuurrichtlijn]
De Nederlandse verzorgingspagina's die we ernaast legden geven alle drie 1:3. [eigen telling over drie pagina's, 4 september 2026] Aquariumfans zet er een reden bij die klopt: het mannetje kan zijn aandacht dan verdelen. Tom&Co zet er de reden bij die verderop in dit stuk onderuitgaat, "om de laatste niet uit te putten", en hangt zijn 1:3 aan een bak van minstens tachtig liter. Tropischevissengids noteert "1 mannetje met 3 vrouwtjes" zonder reden en zonder bron.
Ook binnenshuis liepen de getallen uiteen. De gecureerde kennisbank waaruit de assistent op deze site put, hield twee tot drie vrouwtjes per mannetje aan. [praktijkregel] Dat bijt niet — twee tot drie valt binnen twee tot vijf — maar het is een smallere band dan LICG geeft, en in deze gids houden we LICG aan.
Dat 1:3 valt keurig binnen die band. Kom je van zo'n pagina, dan hoef je niets te veranderen. Wat er ontbreekt is de reden, en die is interessanter dan de regel.
Zwemmen er platy's naast je guppen, reken dan per soort. LICG geeft die soort één mannetje op twee tot vier vrouwtjes, de gup twee tot vijf. [literatuurrichtlijn] De ondergrens is bij allebei dezelfde; alleen de bovenkant verschilt, en die bindt niet.
Wat je meeneemt als je vandaag gaat kopen
Een verhouding is geen boodschappenlijstje, en precies daar laat de regel de lezer in de steek. 1:2 klopt en levert drie vissen op. Bind het aantal dus aan je liters, en niet andersom.
De aantallen hieronder zijn niet van dit artikel: ze staan met hun onderbouwing bij bakgrootte voor guppen, en hier staat alleen de verhoudingskant erbij. [praktijkregel]
| Jouw bak | Waarmee je gemengd begint | Komt neer op |
|---|---|---|
| 40 tot 54 liter | 1 mannetje en 2 tot 3 vrouwtjes | 1:2 tot 1:3, samen drie tot vier dieren |
| 60 tot 80 liter | 2 mannetjes en 4 tot 6 vrouwtjes | 1:2 tot 1:3, samen zes tot acht dieren |
| 100 liter | 3 mannetjes en 6 tot 9 vrouwtjes | 1:2 tot 1:3, samen negen tot twaalf dieren |
Kijk naar de rechterkolom: over alle drie de regels blijft het aandeel mannen op een kwart tot een derde van de groep. Dat is 1:2 tot 1:3, en het ligt aan geen van beide kanten tegen de rand van de band van LICG aan.
Twee dingen vallen op als je die tabel naast de regel legt.
Het startaantal is bij de kleinste bak lager dan wat FishBase een groep noemt. Die pagina adviseert guppen in groepen van vijf of meer te houden [literatuurrichtlijn], en drie tot vier dieren is dat niet. Dat is geen slordigheid maar de kern van de zaak: bij een gemengde groep is elk startgetal tijdelijk. Je begint bewust onder het plafond, want binnen een kwartaal zit je er ruim overheen. Wie in 54 liter met vijf dieren begint omdat vijf de groepsondergrens is, loopt tegen de bovengrens aan voordat de eerste worp zelf volwassen is.
Eén mannetje of meer? Dat hangt aan je liters en niet aan je smaak. In 54 liter is er ruimte voor één; vanaf zestig liter voor twee. Valt je enige man weg, dan ben je in één klap de kleur en de balts kwijt en moet je opnieuw de winkel in — dat is het prijskaartje van de kleinste bak. Wat je in geen van beide gevallen doet, is drie mannetjes in een groepje van zes zetten: dan is de helft van je bak man, en dat is precies de kant waar de meting hieronder voor waarschuwt.
Eén misverstand hoort hier meteen bij: minder mannetjes betekent minder opjagen, niet minder jongen. Het aantal jongen hangt aan het aantal vrouwtjes, en één mannetje bevrucht de hele bak.
En dan de winkel zelf, want daar loopt het meestal mis. In het rek zwemmen ze door elkaar en wordt er op kleur geschept. Vraag om apart uitvangen en tel zelf mee op het gonopodium. De mannetjes staan meestal in een eigen bak en zijn duurder, dus een gemengde groep is niet het goedkoopste mandje van de winkel.
| De groep die je meeneemt | Wat er dan speelt |
|---|---|
| 1 mannetje, 2 tot 5 vrouwtjes | De norm. De aandacht van het mannetje is verdeeld. Er komen jongen, en sneller dan je denkt. |
| Evenveel mannetjes als vrouwtjes | Wat je vanzelf krijgt als je op uiterlijk uitzoekt, en de middelste cel van het onderzoek hieronder. |
| Meer mannetjes dan vrouwtjes | Dubbel scheef: de vrouwtjes krijgen de volle druk én de mannetjes beconcurreren elkaar. |
| Alleen mannetjes | Geen jongen, de kleur blijft. Wel de meest scheve groep die er bestaat, met de keerzijde die daarbij hoort. |
| Alleen vrouwtjes | Klinkt goed, werkt zelden: een vrouwtje uit een gemengde winkelbak is meestal al bevrucht. |
Vier tot zes vrouwtjes, en elke paar weken een nieuwe worp: de vraag is niet óf het te veel wordt maar wanneer. Zonder afvoerplan voor guppen is de verhouding het probleem van vandaag en de aanwas dat van over drie maanden.
De verhouding is nooit getoetst, het verschijnsel eronder wel
Eerlijk is eerlijk. Er bestaat geen onderzoek dat 1:2, 1:3 en 1:5 naast elkaar zet en meet welke groep er het beste af komt. [hiaat] De regel is een praktijkvertaling van een verschijnsel, geen gemeten optimum.
Dat verschijnsel is wél gemeten. Chuard, Grant en Brown werkten in 2022 op twee plekken in de Aripo op Trinidad. Bovenstrooms zit weinig roofvis, benedenstrooms veel. Ze zetten doorzichtige kooien van 40 bij 30 bij 30 centimeter op de rivierbodem, met zes dieren erin en het aandeel mannetjes zelf ingesteld op 17, 50 of 83 procent; dertig herhalingen per verhouding, per populatie. Daarin telden ze drie dingen: aanvallen tussen soortgenoten van dezelfde sekse, balts, en gedwongen paringspogingen. Wat er níet in zat: groei, conditie, overleving, en alle verhoudingen die tussen die drie cellen in liggen. [gemeten]
De uitkomst: hoe groter het aandeel van je eigen sekse in de groep, hoe vaker er binnen die sekse geknokt werd. Bij mannetjes én bij vrouwtjes, met een effect van 0,69 op de rekenschaal van het model per hele eenheid eigen-sekse-aandeel. [gemeten] Van de cel waarin je eigen sekse zeventien procent van de groep uitmaakt naar de cel waarin ze drieëntachtig procent uitmaakt, komt dat neer op ongeveer anderhalf keer zoveel aanvallen (1,6×) — voor mannetjes én voor vrouwtjes, elk binnen de eigen sekse. [gemeten, met eigen omrekening uit de gerapporteerde coëfficiënt] Let op de marge: het betrouwbaarheidsinterval van 0,18 tot 1,20 laat alles toe tussen ruim tien procent meer en ruim het dubbele. De richting staat vast, de grootte niet.
Mannetjes waren daarbij niet aantoonbaar agressiever dan vrouwtjes. De dieren bovenstrooms, waar weinig roofvis zit, waren wel duidelijk agressiever dan die benedenstrooms.
Lees dat nauwkeurig, want de hobby maakt er iets anders van. Dit gaat over rivalen die elkaar aanvallen, niet over een mannetje dat een vrouwtje opjaagt. De praktische vertaling is dus breder dan de regel van LICG suggereert: scheef is duur voor de sekse die in de meerderheid is. Drie mannetjes op drie vrouwtjes klinkt als het midden, maar tegenover de 29 tot 40 procent mannen die in het wild gemeten is, afhankelijk van hoe je telt, is het al een mannenoverschot [gemeten] — en dan gaan ook de mannetjes elkaar vaker te lijf.
Waar in de band ga je dan zitten
Hier wringt iets wat geen enkele Nederlandse pagina benoemt. Eén op vijf is 83 procent vrouwtjes, en dat is precies de scheefste cel aan de vrouwtjeskant die Chuard testte: volgens hetzelfde mechanisme meer wrijving tussen de vrouwtjes onderling. Twee dingen kunnen dus niet allebei waar zijn. 1:2 ligt het dichtst bij de wilde stand, 1:5 legt de laagste druk per vrouwtje, en geen enkele studie weegt die twee kosten tegen elkaar af. [hiaat]
Wij gaan op 1:3 zitten. Dat is de stand die midden in de tabel hierboven uitkomt, en hij ligt aan geen van beide kanten tegen de rand aan. [praktijkregel] Eén op vier kan ook, maar weet dan dat tachtig procent vrouwtjes vlak tegen die scheefste vrouwtjescel aan ligt; wie die wrijving zwaarder weegt, blijft op 1:3. En wie liever dicht bij de natuurlijke verhouding blijft, zit met 1:2 even goed.
In het wild staat de verhouding juist andersom
Dezelfde onderzoekers telden in die twee populaties ook zonder kooien: twintig tellingen benedenstrooms en vierendertig bovenstrooms. In beide populaties was gemiddeld 40 procent van de volwassen dieren mannetje: benedenstrooms met een 95%-interval van 13 tot 54 procent, bovenstrooms van 23 tot 51 procent. Tel je elke waarneming los, dan komt het over alle 54 veldmetingen samen uit op 29 procent, met een interval van 25 tot 32 procent. En het scherpste getal van de hele reeks: 95 procent van die metingen zat op de helft of lager. [gemeten]
Losse momenten liepen wel op tot 71 procent mannen, en dat vraagt om een kanttekening, anders lijkt het alsof de natuur zelf ook mannetjes-scheef kan zijn. Het verschil zit in de duur. Een poel in een beek is een momentopname waar dieren in en uit zwemmen, en over alle metingen samen ligt het zwaartepunt bij de vrouwtjes. In een bak staat de verhouding permanent vast, maandenlang. Dat is wat jij instelt.
Waaróm die verhouding vrouwtjes-scheef ligt, is apart gemeten. Arendt, Reznick en López-Sepulcre volgden in 2014 vier uitgezette populaties met merken en terugvangen. Het overschot ontstaat doordat mannetjes eerder doodgaan en vrouwtjes langer leven, en nauwelijks doordat er meer vrouwtjes geboren worden. [gemeten]
Dat draait de vraag om. Een bakje met drie mannetjes en drie vrouwtjes is niet de natuurlijke verhouding waar je vanaf wijkt; het ís de afwijking. En de winkelpraktijk duwt precies die kant op: mannetjes zijn kleiner, dragen de felste tekening en de grootste vinnen, en worden vaak apart aangeboden. [praktijkregel] Wie op uiterlijk uitzoekt, neemt daardoor eerder mannetjes mee — en op kleur sekseren werkt bij moderne kweeklijnen nog maar één kant op: dof wijst meestal op een vrouwtje, fel bewijst niets meer.
Wat het opjagen het vrouwtje kost, en wat niet
Vier dingen die je makkelijk door elkaar haalt
Het mannetje kromt zich zijdelings vóór het vrouwtje en trilt. Dat is balts, en dat hoort erbij.
Het mannetje schiet van achteren of van onderen aan, zonder vertoning vooraf. Dat is een paringspoging zonder toestemming, in onderzoek sluikparing genoemd. Dat is de dure variant.
Twee dieren van dezelfde sekse happen naar elkaars vinnen of jagen elkaar weg. Dat is ruzie tussen rivalen. Dezelfde knop, andere kant op: bij ruziënde mannetjes verlaag je hún aandeel, dus vrouwtjes erbij of een mannetje eruit. Bij ruziënde vrouwtjes rek je de verhouding juist niet verder op.
En de vierde, die op fora vaak langskomt: een vrouwtje dat een mannetje wegjaagt of naar hem hapt. Of dat met de verhouding te maken heeft, is niet gemeten — Chuard telde agressie binnen de eigen sekse, niet in deze richting. [hiaat] In de praktijk is het zelden een verhoudingsprobleem en meestal een kwestie van ruimte en zicht, met dezelfde ingreep als hieronder: begroeiing en zichtbrekers. Wat er verder meespeelt bij onderlinge agressie geldt voor de hele bak en niet alleen voor deze soort.
Hoeveel achtervolging in een goed verdeelde bak normaal is, heeft niemand geteld. [hiaat] Dáárom staat er verderop een voerproef als aflezing en geen teller. En het enige frequentiegetal dat je hier tegenkomt, meer dan één gedwongen paringspoging per minuut, komt uit wilde populaties en is geen maat voor jouw bak. [literatuurrichtlijn, geciteerd in Killen e.a. 2016; origineel niet ingezien]
Wat er gemeten is
Killen, Croft, Salin en Darden hielden in 2016 vrouwtjes vijf maanden onder hoge mannetjesdruk (één op één) of lage mannetjesdruk (één op 5,7), twaalf bakken per behandeling en twintig dieren per bak. In hun eigen bakken waren de vrouwtjes onder hoge druk 1,9 keer zo actief en maakten ze ruim twee keer zoveel schietbewegingen per minuut, 1,06 tegen 0,48. Daarna gingen tien vrouwtjes per behandeling de zwemtunnel in. [gemeten]
Tot zover het verwachte deel. Het onverwachte: hun stofwisseling bij een gegeven zwemsnelheid lag juist lager, en hun energiekosten per afgelegde afstand ook. In rust- en maximaalstofwisseling was geen verschil te vinden. [gemeten]
Dat is geen uitgeputte vis. Dat is een vis die zuiniger is gaan zwemmen omdat ze wel moest.
Wees precies over wat die proef níet zegt: conditie, groei, worpgrootte en overleving zijn er niet in gemeten. "Het vrouwtje raakt uitgeput" is dus niet wat er gemeten wordt, en die zin gebruik je beter niet meer. Dat is iets anders dan: er zijn geen kosten.
Want ander werk aan dezelfde soort vindt die kosten wél, alleen ergens anders. Gasparini, Devigili en Pilastro lieten in 2012 vrouwtjes per voortplantingscyclus één dag of acht dagen met drie mannetjes samen, hun leven lang. Het totale aantal nakomelingen verschilde niet. Maar de zwaar lastiggevallen vrouwtjes kregen kleinere dochters, en zonen met een kortere paringsvin die het bij vrouwtjes slechter deden. De auteurs tekenen er zelf bij aan dat het verschil in sekseverhouding tussen beide behandelingen daarin kan meespelen. [gemeten]
De rekening van vandaag ligt bij het eten. Yang, Grant, López-Sepulcre en Gordon volgden in 2023 telkens tien minuten lang één vrouwtje en telden haar happen, plus de balts en de sluikparingen die op haar gericht waren. Allebei die vormen van aandacht drukten het foerageren, maar niet op dezelfde manier: balts verlaagde vooral de kans dát ze aan het eten sloeg, terwijl de sluikparing ook het aantal happen omlaag haalde van een vrouwtje die al aan het eten was. [gemeten] Dat laatste verschilde per herkomst: bij vrouwtjes uit een lijn met veel roofvis ging elke extra sluikparing in die tien minuten samen met ongeveer achttien procent minder happen, bij de andere lijn was dat effect er niet, en het verschil tussen beide lijnen was zelf net niet significant. [gemeten, met eigen omrekening van de coëfficiënt] Reken dat niet door naar nul: het is een verband per extra poging binnen het gemeten bereik, en hoeveel een vrouwtje zonder die pogingen eet, staat niet in de publicatie.
Wat je in je bak ziet als "hij laat haar geen seconde met rust" is dus geen dier dat instort. Het is een dier dat minder eet, meer wegzwemt en zich vaker terugtrekt. Dat levert geen kadaver op, en precies daarom blijft de fout jarenlang staan.
Als het bij jou al scheef staat, in deze volgorde
Sluit eerst water en ziekte uit. Een dier dat zich terugtrekt is niet automatisch een opgejaagd dier. Meet je nitriet: staat daar iets meetbaars, dan is dát de dader en heeft verder tellen geen zin. Kijk daarna hoe ze eruitziet. Bij druk zwemt ze wég van een achtervolger en komt ze gewoon boven zodra de mannetjes elders zijn. Hangt ze stil, klemt ze haar vinnen of ademt ze snel, dan is het geen verhoudingsprobleem maar een ziektebeeld. [praktijkregel]
Kijk drie voerbeurten wie er wegblijft. Dit is de enige aflezing die je thuis zonder apparatuur kunt doen, en hij sluit aan op wat er in het onderzoek daadwerkelijk daalt. Kijk op drie verschillende dagen. Blijft hetzelfde dier alle drie de keren weg terwijl de rest boven staat, dan is de druk te hoog. [praktijkregel] Eén keer wegblijven zegt niets; dat doet een vrouwtje ook vlak voor en na een worp.
Sekseer de aanwas. Deze stap wordt het vaakst overgeslagen. Veel bakken met "ineens veel onrust" zijn bakken waarin de eigen jongen volwassen zijn geworden en de verhouding stilletjes is gekanteld. Begin rond een week of vier met kijken in plaats van pas na twee maanden. Tel als iedereen boven staat, of maak een foto en tel op het scherm. Tel op de vin, niet op de kleur.
Zet er begroeiing en zichtbrekers in. Dit is de enige ingreep uit dit rijtje die gemeten is, en de bak wordt er hoe dan ook beter van. Concreet: dichte beplanting tegen de achter- en zijwanden zodat een vrouwtje uit het zicht kan, iets drijvends voor schaduw, en een stuk hout dat de zichtlijn door de bak breekt. [praktijkregel]
Wat daaronder ligt: Manenti en collega's verdeelden in 2025 driehonderdzestig dieren over achttien bakken van zestig liter, twintig dieren per bak, waarvan vijftien proefbakken — vijf per niveau van inrichting — en drie reservebakken, 55 dagen lang, op een verhouding van één op één. De drie niveaus: kaal, bodemgrond met een stuk hout, of dat plus beplanting. Het stresshormoon cortisol in het bakwater lag in de kale bakken steeds tussen 30 en 35 nanogram per milliliter, tegen 20 tot 25 in de ingerichte bakken. [gemeten] Let op wat die proef is: een verrijkingsproef, geen verhoudingsproef. Ze laat zien dat een kale bak de druk verergert, niet dat begroeiing een scheve verhouding repareert. Bijten kwam in de rijkst ingerichte bakken zelfs vaker voor, en de auteurs koppelen dat aan mannetjes die om vrouwtjes vechten: er valt dan iets te verdedigen.
Herstel daarna de verhouding. Vrouwtjes bijzetten is de zachtste ingreep en de enige die je kunt doen zonder dieren weg te doen. Dat het helpt is niet gemeten; het is de redenering achter de norm van LICG en niet meer dan dat: de druk verdeelt zich over meer dieren. [praktijkregel] Zet ze in één keer bij en niet in drie porties, laat verse dieren eerst een paar weken apart wennen, en reken in eindstanden en niet in bijtellingen. En kijk of je bijtelling nog binnen je liters past: past ze niet, dan is een mannetje eruit de enige uitweg.
Mannetjes wegdoen lost het sneller op en is voor de meeste mensen de eerlijkere keuze. Maar dan wel met een route erbij: terug naar de winkel als die aanneemt, en lang niet elke winkel doet dat, een visbeurs, een vereniging of een hobbyist in de buurt. Nooit in de sloot, en nooit in een vijver. Wil je én rust én geen jongen, dan kun je ook de vrouwtjes wegdoen en doorgaan met de mannen; dat is de enige ingreep die de worpen echt stopt.
Wat maar half werkt: het mannetje er tijdelijk uithalen. Voor het opjagen werkt dat wél, en meteen; wil je haar vanavond rust geven, dan is dit de snelste weg. Maar het stopt de worpen niet. Ze draagt zijn sperma nog maandenlang bij zich en werpt gewoon door; hoelang dat doorloopt en waarom de oudste opgaven daarover zwakker zijn dan ze lijken, staat bij de zwangerschap. Zet hem dan wel in verwarmd water dat al draait, of achter een schot in de bak zelf; een kom of een emmer is hooguit iets voor een paar uur. [praktijkregel]
Kijk na twee weken opnieuw, met dezelfde drie voerbeurten. [praktijkregel] Verwacht geen effect van vanavond op morgen: de bakken uit de proef hierboven werden 55 dagen gevolgd, en dat is de orde van grootte waarop zulke verschillen zichtbaar worden.
Wat je concreet doet bij de vier gewoonste standen
De doelstanden zijn de startstanden uit de tabel bovenaan. Zit je boven je liters, dan gaat er iets uit; dat is geen tussenstap maar de ingreep zelf.
| Wat je nu hebt | Doel in 40 tot 54 liter | Doel in 60 tot 80 liter | Wat je daarvoor moet doen |
|---|---|---|---|
| 1 man, 1 vrouw | 1 op 2 tot 3 | 2 op 4 tot 6 | In 54 liter één tot twee vrouwtjes erbij; in 60 tot 80 liter drie tot vijf vrouwtjes en een tweede mannetje. Dit is de scheefste stand die voor haar bestaat, dus de vrouwtjes eerst en het mannetje pas daarna. |
| 3 mannen, 3 vrouwen | 1 op 2 tot 3 | 2 op 4 tot 6 | In 54 liter twee mannetjes eruit; bijzetten hoeft niet, drie vrouwtjes zit al in de band. In 60 tot 80 liter één mannetje eruit en één tot drie vrouwtjes erbij. |
| 4 mannen, 2 vrouwen | 1 op 2 tot 3 | 2 op 4 tot 6 | In 54 liter drie mannetjes eruit. In 60 tot 80 liter twee mannetjes eruit en twee tot vier vrouwtjes erbij. Alleen bijzetten past hier in geen van beide bakken. |
| 1 man, 5 vrouwen | De verhouding is goed; zes dieren ligt boven het startaantal voor deze maat, dus niets bijzetten | 2 op 4 tot 6 | In 54 liter niets doen en op de aanwas letten. In 60 tot 80 liter mag er een tweede mannetje bij, verder niets. |
Het getal van de kweker komt uit een andere hoek
In een gepubliceerde kweekproef aan een nauwe verwant van de gup gebruikten Hernández-López en Luna-Vivaldo in 2021 twaalf vrouwtjes en drie mannetjes in drie kweekgroepjes. Dus vier vrouwtjes op één mannetje, uitdrukkelijk omdat dat de verhouding is die bij levendbarende tandkarpers gebruikt wordt. Alle vrouwtjes werden drachtig; in twee maanden leverden ze tien worpen met 122 jongen. [gemeten als kweekresultaat, aan een verwante soort en niet aan de gup]
Dat is een productiegetal, geen welzijnsgetal. 1:4 valt keurig binnen de band van LICG, maar de kweker kiest die verhouding omdat hij álle vrouwtjes drachtig wil hebben. Wie zijn bak juist niet vol wil laten lopen, moet zich er dus niet door laten geruststellen. Een gepubliceerde kweekverhouding voor de gup zelf hebben we niet gevonden. [hiaat]
Alleen mannetjes houden is een reële optie
Seriously Fish vat het in één regel samen: wil je geen bak vol jongen, koop dan dieren van één geslacht. [literatuurrichtlijn] Tom&Co geeft dezelfde tip met een getal erbij: twee mannetjes in minstens zestig liter. [praktijkregel] In de praktijk worden het vrijwel altijd mannetjes, en voor veel mensen is dat de beste oplossing die ze nooit aangeboden krijgen.
De eerlijke keerzijde hoort erbij, want buiten deze gids kom je hem zelden tegen. Een mannetjesgroep is de meest scheve verhouding die er bestaat, en de meting van Chuard zegt nu juist dat de sekse in de meerderheid vaker met soortgenoten in aanvaring komt. Die meting is gedaan mét vrouwtjes erbij, dus ze voorspelt niet rechtstreeks wat een mannetjesbak doet: daar valt niets te veroveren. Wat je eruit meeneemt is bescheidener en nog steeds bruikbaar: meer mannetjes is nergens gratis.
Er is een tweede keerzijde, en die komt uit de hobby. Aquarium Science schrijft, met Diana Walstad als tweede waarneming, dat juist mannetjes het na de winkel slecht doen: hun lange vinnen zijn voor het afweersysteem lastig te bedienen, en de auteur zegt ze zelf zelden langer dan twee weken in leven te houden terwijl de vrouwtjes het prima doen. [praktijkregel] Gemeten is dat niet, en het is een hobbybron zonder toetsing. Wat het wel doet, is de nadruk verschuiven naar waar je koopt.
Neem er dus liever een groep dan drie, zodat de wrijving zich over meer dieren verdeelt en niet steeds op hetzelfde dier landt. Hier telt wél het volle aantal, want een groep van één geslacht groeit niet: in de 54 liter van een zestig-centimeterbak zijn zes tot acht mannetjes werkbaar, in zestig tot tachtig liter acht tot tien, en in honderd liter twaalf tot vijftien. [praktijkregel] Dat zijn dezelfde getallen als bij de bak, en onder welke maat je er helemaal niet aan begint, staat daar ook — dit artikel draagt dat getal niet.
Alleen vrouwtjes werkt bijna nooit
Dat klinkt logischer dan het is. Een vrouwtje uit een gemengde winkelbak is drachtig tot het tegendeel blijkt, en ze werpt na de verhuizing nog maandenlang door zonder dat er ooit een mannetje bij komt. In die maanden loopt je kinderloze bak dus gewoon vol, en de helft van wat er geboren wordt is man: zonder dat je iets fout doet sta je binnen een halfjaar met precies de scheve verhouding waar dit stuk over gaat.
Deze route werkt daarom maar op één manier: koop bij een kweker of een liefhebber die zijn dieren gescheiden opkweekt, en vraag daar uitdrukkelijk naar. Uit een gemengde winkelbak lukt het niet, hoe zorgvuldig je ook uitzoekt.


