Waterwaarden
pH, KH en GH: welke van de drie er echt toe doet
Drie waardes die vaak door elkaar gehaald worden. De belangrijkste is niet de bekendste: het is niet je pH die je in de gaten moet houden, maar de buffer die hem stabiel houdt.
In het kort
- GH is de totale hardheid en bepaalt of een soort zich thuis voelt.
- KH is de buffer. Die houdt je pH op zijn plek.
- pH is het gevolg, niet de oorzaak. Een stabiele pH van 7,8 is beter dan een schommelende 6,8.
- Nederlands kraanwater loopt van ongeveer 3,7 tot 13,7 dH, dus er bestaat geen landelijk gemiddelde.
- pH verlagen vecht tegen de buffer. Dat geldt voor een flesje pH-min en net zo goed voor kienhout: dat kleurt je water wel bruin, maar bij een gevulde Nederlandse buffer verzet het je pH niet.
Wat de drie zijn
GH, de totale hardheid. Vooral calcium en magnesium. Dit is wat een soort bedoelt als hij "zacht water" wil. Het telt ook voor het pantser van garnalen en de botopbouw van vissen.
KH, de carbonaathardheid. Dit is de buffer. Zuren die in je bak ontstaan worden hierdoor opgevangen, zodat je pH niet beweegt. Van de drie is dit de waarde die het minst gemeten wordt en het meeste verklaart.
pH, de zuurgraad. Het resultaat van alles bij elkaar. Belangrijk, maar bijna nooit het aangrijpingspunt.
Waarom stabiel belangrijker is dan ideaal
De meeste gezelschapsvissen die je in Nederland koopt zijn al generaties in gevangenschap gekweekt, vaak in water dat sterk lijkt op wat er hier uit de kraan komt. Die redden zich uitstekend op een pH van 7,5 tot 8, mits die niet beweegt.
Een schommelende pH is een heel ander verhaal. Elke verandering kost een vis energie om zich aan te passen, en een plotselinge daling van een halve eenheid is een schok.
Vandaar dat KH ertoe doet. Zolang die buffer er is, ligt je pH vast. Raakt hij op, dan gaat de pH ineens hard bewegen, en dat gebeurt precies in de bakken waar het langst niets is ververst.
De Nederlandse werkelijkheid
Er bestaat geen "hard Nederlands kraanwater". De praktijkband loopt van ongeveer 3,7 tot 13,7 dH, en beide uitersten liggen toevallig in Limburg. Oudere hobbyteksten citeren vaak de hardheid van ruw grondwater en zitten daardoor structureel een paar graden te hoog.
Alle Nederlandse pompstations leveren bovendien boven pH 7,3. Iedereen hier begint dus basisch, en dat verklaart waarom "hoe krijg ik mijn pH omlaag" zo'n veelgestelde vraag is.
Wat je hardheid is, kun je opzoeken bij je waterbedrijf. Meestal op postcode.
pH verlagen: waarom het meestal misgaat
De verleiding is een flesje pH-min. Dat werkt niet zolang je carbonaathardheid hoog is: de buffer vangt het zuur op, je meet geen verschil, je doet er meer bij. En dan is de buffer opeens op en klapt de pH omlaag. Precies de schommeling die je wilde vermijden.
De routes die wél werken lopen via het water zelf. Osmosewater bijmengen verlaagt hardheid én buffer geleidelijk. Kienhout en elzenproppen werken langzaam en zacht, en over die laatste route hieronder meer, want daar wordt in Nederland structureel te veel van verwacht.
Maar de eerlijkste route is meestal de simpelste: kies dieren die bij jouw water passen. Dat is geen concessie. Een soort die zich thuis voelt in wat er bij jou uit de kraan komt, geeft je jarenlang minder werk en gezondere dieren dan een soort die je met chemie in leven houdt.
Kienhout, elzenproppen en turf: het gele water
Kienhout, eikenbladeren, elzenproppen en turf geven humus- en looizuren af. Die kleuren het water geel tot theebruin, en in de hobby heet dat blackwater. Voor soorten uit zulke wateren, van kempvis tot veel zalmen, is dat een prettige omgeving.
De verwachting die er meestal aan hangt is een andere: dat het je pH omlaag brengt. En dat is precies waar het in Nederland misgaat.
Looizuren zijn zwakke zuren. Wat een zwak zuur doet met je pH, hangt volledig af van je buffer, en dat is dezelfde regel waarmee hierboven het flesje pH-min sneuvelde. Bij een lage carbonaathardheid zakt de pH merkbaar. Bij de carbonaathardheid van een gemiddelde Nederlandse kraan vangt de buffer het zuur gewoon op.
Het water wordt bruin, de pH blijft staan. Dat is geen mislukte poging: het is precies wat je mag verwachten bij een gevulde buffer.
Dat is ook waarom Engelstalige gidsen hier zo vaak niet uitkomen. Die gaan uit van zachter water, en daar dóét kienhout wél iets met de pH. Wie hier hetzelfde resultaat wil, moet eerst de buffer verlagen — met osmosewater — en dan pas het hout laten werken. In die volgorde, want andersom gebeurt er niets.
Drie dingen die verder de moeite van het weten waard zijn.
Nieuw kienhout drijft, soms maandenlang. Waterverzadigd hout zinkt vanzelf, maar dat kan weken tot maanden duren. Vastzetten of voorweken is de gewone route; hout vastschroeven op een leisteen werkt beter dan een steen erbovenop leggen.
Die witte, slijmerige aanslag op vers hout is geen schimmelziekte. Het is een biofilm die zich op de suikers in het nieuwe hout vestigt, hij verdwijnt binnen enkele weken vanzelf, en garnalen en slakken eten hem op. Dit is de reden dat iemand met een gloednieuwe bak in paniek een schimmelmiddel koopt dat hij niet nodig heeft.
Turf in het filter werkt, maar traag en slecht te sturen. Je ziet het effect pas na dagen en je kunt het niet halverwege terugdraaien. Voor wie zacht water nodig heeft is bijmengen met osmosewater voorspelbaarder.

