Vissen
Guppenleeftijd: de bronnen meten niet hetzelfde
Een half tot twee jaar, 2,3 jaar, vijf jaar of drie maanden: dat zijn vier antwoorden op de vraag hoe oud een gup wordt, en ze komen alle vier uit een bron die serieus genomen wordt. Waar je in een gewone huiskamerbak op uitkomt is een half tot twee jaar. De rest van dit stuk gaat over waar die andere getallen vandaan komen, want zodra je weet wát er gemeten is en aan wat voor dier, kun je je eigen bak er eindelijk tegen afzetten.
In het kort
- In een gewone huiskamerbak is een half tot twee jaar wat je mag verwachten. Acht maanden zit daar onderin en niet erbuiten, en de klok begint eerder dan op de dag van aankoop: een gekleurd winkelmannetje is al maanden oud.
- Voortplanten kost levensduur. Vrouwtjes zonder worpen leefden ongeveer veertig maanden tot de helft dood was, tegen ongeveer veertien maanden voor vrouwtjes die wél wierpen. Maar dat zijn twee laboratoria, twee stammen en zesendertig jaar verschil, en Reznicks eigen latere reeks komt op bijna het dubbele uit.
- Binnen één laboratoriumreeks liep de levensduur van 226 vrouwtjes uiteen van 151 tot 1.464 dagen. Vijf maanden tot vier jaar, bij dieren uit dezelfde opzet.
- Een echte levensduurvergelijking bij twee temperaturen bestaat bij deze soort niet. Wat er wél is: bij 27,8 graden gingen 43 van de 107 volwassen vrouwtjes dood in zestien weken, tegen 1 van de 109 bij 24,4 graden.
- De herkomst is de enige keuze die je achteraf niet meer kunt corrigeren, en tegelijk de slechtst onderbouwde: het bewijs is één kweker in eigen bakken, zonder controlegroep.
Acht maanden is de onderkant van normaal, niet daarbuiten
Ging jouw guppy na een maand of acht dood, en vraag je je af of dat te vroeg was? Dat is meestal de echte vraag, dus die gaat voorop.
Een half tot twee jaar is wat je in een gewone huiskamerbak mag verwachten [literatuurrichtlijn]. Acht maanden zit daar onderin, en niet erbuiten. Vervelend, maar niet raar, en meestal ook niet iets wat jij verkeerd hebt gedaan.
De klok begint niet op de dag dat je hem meeneemt. AnAge noteert een mannetje op 74 dagen als geslachtsrijp [literatuurrichtlijn], en een winkelvis is verkoopbaar juist omdát hij volwassen is. Wie een gekleurd mannetje koopt, koopt vrijwel altijd een dier van maanden oud. Die maanden staan niet op het bakkaartje en tellen wel mee.
Ging er één, of gingen er meerdere? Eén dier dat na ruim een jaar rustig ophoudt, is vaak gewoon ouderdom [praktijkregel]. Ging het na een paar maanden, of gingen er meerdere binnen een paar dagen, zeker met jonge dieren erbij, dan is dat het vrijwel nooit. Dan loop je de volgorde af die bij sterfte bij guppen staat, en begin je bij het water: eerst ammoniak en nitriet, dan de herkomst van guppen, en pas daarna een ziektebeeld.
Waarom de ene bron vijf jaar zegt en de andere drie maanden
Er is geen leeftijd voor deze soort waar alle bronnen op uitkomen. Dat is geen slordigheid. Ze beantwoorden verschillende vragen en zetten het antwoord neer alsof het dezelfde vraag was.
| Bron | Wat er staat | Wat het is |
|---|---|---|
| LICG | "ongeveer een half tot twee jaar" | een houderijadvies over de huiskamerbak |
| RAVON | "leeft vrij kort (maximaal 5 jaar)" | een bovengrens voor de soort, zonder bronvermelding |
| AnAge | 5 jaar, met het etiket "wild" erbij | overgenomen uit FishBase, referentie 454 |
| OATA | "meerdere jaren", zonder getal | zorgblad van de Britse brancheorganisatie |
| FishBase, soortpagina | geen maximumleeftijd | wel lengte, rijpheid en generatietijd |
| Wikipedia NL | 2 à 3 jaar, in gevangenschap een half tot twee, zelden ouder dan vijf; mannetjes 3 à 4 maanden | een samenvatting van andermans bronnen, met voetnoten |
| López-Sepulcre e.a. 2013 | man 3,05 maanden, vrouw 15,28 maanden | levensverwachting vanaf de eerste voortplanting, in een uitgezette veldpopulatie |
LICG, RAVON, AnAge, OATA en FishBase zijn naslag [literatuurrichtlijn]. Wikipedia NL vat andermans bronnen samen en erft de kwaliteit daarvan, zoals hieronder blijkt. De onderste regel is [gemeten].
Twee van die zeven zetten er bewust geen getal neer. FishBase laat het vakje leeg. En OATA, de Britse brancheorganisatie waar veel winkels hun zorgbladen vandaan halen, schrijft alleen dat deze visjes meerdere jaren kunnen halen in een goed ingelopen bak met goed water [literatuurrichtlijn]. Dat is geen slordigheid maar de eerlijkste regel in de tabel: wie het niet weet, zet er niets neer. De vijf die wél iets neerzetten, komen op vier verschillende antwoorden uit.
Volg die vijf jaar eens terug, want dat is het getal dat het vaakst wordt overgeschreven. AnAge zet er zelf bij waar hij vandaan komt: referentie 454, en dat is FishBase. Maar op de soortpagina van FishBase staat onder het kopje over lengte, gewicht en leeftijd alleen een maximale lengte. Een maximumleeftijd geeft die pagina niet. Het spoor loopt dus niet rond maar dood. RAVON noemt hetzelfde getal en zet er niets bij. Of dat een tweede opgave is of dezelfde die is doorgegeven, valt niet vast te stellen [hiaat].
Daaronder ligt een tegenspraak die nergens benoemd wordt. Wikipedia zet het wild neer als het lángere leven: twee à drie jaar buiten tegen een half tot twee jaar in de bak. De kweker die verderop de hoofdrol speelt schrijft hetzelfde. Maar de enige veldmeting in het rijtje geeft voor een mannetje drie maanden. Beide kunnen kloppen, want het is niet hetzelfde getal: het veld meet de verwachte resterende tijd vanaf het moment dat een dier begint met voortplanten, niet de leeftijd die een taai exemplaar kan halen.
Let ook op waar die "3 à 4 maanden" van Wikipedia vandaan komt. De voetnoot wijst naar een persbericht over precies dat veldonderzoek. De onderzoekers noteren 3,05 en 15,28 maanden [gemeten]; het persbericht maakte er "three-four months" tegen "two years" van, en Wikipedia nam de eerste helft over. Sterker nog: álle vier de leeftijdsopgaven op die pagina hangen aan diezelfde ene voetnoot, terwijl er in dat persbericht alleen "three-four months" en "two years" staan. Twee à drie jaar, een half tot twee jaar in gevangenschap en zelden ouder dan vijf: geen van drieën komt daar vandaan.
Wat er echt gemeten is, en aan wat voor dier
Er bestaat wel degelijk goed cijfermateriaal. Het staat alleen niet in hobbybronnen, en het is bijna nooit gemeten aan het dier dat jij in huis hebt.
Eén opmerking vooraf over de herkomst van wat nu volgt. Alles wat hier uit Comfort en uit de verkennende proef van Reznick uit 1997 komt, is gelezen in de samenvatting die kweker Diana Walstad er in 2022 van maakte, en niet in de originelen. Dat staat verderop kort in de etiketten.
De grootste overlevingsreeks is oud. In 1961 volgde Alex Comfort 312 mannen en 351 vrouwen tot hun dood, in gescheiden bakken van vijftig liter, allemaal maagdelijk gehouden. Vanaf dag honderd geteld leefde op twee jaar nog ruim de helft van beide seksen, 55 tot 60 procent [gemeten in 1961, afgelezen van een grafiek die Walstad zelf uit Comforts tabellen tekende]. Op 1.500 dagen was elk mannetje dood terwijl twaalf procent van de vrouwtjes nog rondzwom; de laatste vrouwtjes haalden 1.900 dagen, ruim vijf jaar [gemeten in 1961, via Walstad 2022]. Let op waar die curve begint: de jongensterfte van de eerste honderd dagen zit er niet in, dus dat percentage oogt gunstiger dan het is. Dat die 1.900 dagen en de vijf jaar van AnAge en RAVON dezelfde vijf zijn, is aannemelijk en staat nergens.
Het beste moderne getal komt uit wilde lijnen die in het laboratorium werden gehouden en zich wél voortplantten. Reznick en collega's zetten 240 vrouwtjes op in acht groepen, vier herkomsten uit twee riviersystemen met verschillende roofvisdruk, elk op een hoog en een laag voerniveau, en hielden er 226 tot hun dood over. Gemiddeld over die acht groepen 846 dagen, ofwel 2,3 jaar. De spreiding tussen individuele dieren liep van 151 tot 1.464 dagen [gemeten, Reznick e.a. 2004/2006; de spreiding via Walstad 2022].
Vijf maanden tot vier jaar dus, binnen één opzet, bij dieren uit vier herkomsten op twee voerniveaus. Wie één getal wil, vraagt om iets wat de soort niet heeft.
En dan de vraag die zich meteen opdringt: waarom haalden díe vrouwtjes mét worpen 2,3 jaar terwijl die van jou acht maanden haalde? Twee dingen scheiden die bak van de jouwe. Het waren nakomelingen van wilde dieren uit Trinidad en geen kweekvorm uit de handel. En elk dier zat alleen in een bakje van bijna acht liter, in het laboratorium, met een afgemeten rantsoen en zonder de drukte van een gemengde gezelschapsbak. Walstad schrijft dat wilde dieren aantoonbaar langer leven dan de kweekvormen van nu [praktijkregel — één kweker]. Aannemelijk, en niet getoetst: een gecontroleerde vergelijking tussen een wildlijn en een kweekvorm bestaat niet [hiaat].
En dan het gat tussen vijf jaar en acht maanden. Reznick schatte in 1997 de halfwaardetijd van Comforts maagdelijke vrouwtjes, de leeftijd waarop de helft nog leefde, op ongeveer veertig maanden, tegen ongeveer veertien maanden voor zijn eigen vrouwtjes die wél worpen kregen [gemeten in een verkennende proef, 1997, via Walstad 2022]. Hij noemt dat in zijn eigen samenvatting uitdrukkelijk voorlopig: resultaten uit een pilot.
Kijk goed wat daar naast elkaar staat. Het zijn twee laboratoria, twee stammen en zesendertig jaar verschil. Comforts veertig maanden zijn Britse siervislijnen uit de jaren vijftig, wekelijks gevoerd met Tubifex en pas ververst als de vissen ongemak toonden; Reznicks veertien maanden zijn zijn eigen, uit Trinidad afgeleide dieren in Californië. Maagdelijkheid en herkomst zijn hier dus niet uit elkaar te trekken. Alles wijst erop dat een groep zonder worpen ouder wordt, maar dit ene getallenpaar bewijst dat niet in zijn eentje.
En leg die veertien maanden ook eens naast de 846 dagen hierboven, want beide gaan over werpende vrouwtjes uit hetzelfde lab. Het ene is een halfwaardetijd uit een pilot, het andere een gemiddelde uit de volledige reeks van 226 dieren, en dat scheelt bijna een factor twee. De richting is consistent, voortplanten kost iets; de omvang niet. Wie hier een factor drie uit haalt, rekent met de zwakste van de twee.
In die reeks zat ook een voerknop, en die gaf een uitkomst waar je weinig aan hebt maar die wel eerlijk vermeld moet worden. Dieren op het láge voerniveau hadden een langere voortplantingsfase, en dat verschil was veel groter bij de herkomsten met weinig roofvissen dan bij die met veel. De wisselwerking tussen voer en roofvisdruk noemen de auteurs zelf marginaal significant, wat erop neerkomt dat die net niet aan hun eigen drempel voldeed [gemeten]. Dat is geen vrijbrief om minder eten te geven; het gaat over een afgemeten rantsoen in een labbakje van bijna acht liter, niet over wat er in jouw bak in gaat. En de vraag die er meteen achteraan komt, of hij ouder wordt van beter guppenvoer, heeft bij deze soort geen antwoord: dat is nooit gemeten [hiaat].
Wat je hier voor je eigen bak uit haalt, is een afweging en geen recept. Alles wijst erop dat een groep zonder worpen ouder wordt, maar zowel een groep van alleen mannen als een groep van alleen vrouwen heeft zijn eigen prijs. En door de spermaopslag bij guppen werpt wat je vandaag koopt sowieso nog maanden door.
Ze leeft nog, maar krijgt geen jongen meer
Dit is het stuk waarvan de meeste houders niet weten dat het bestaat, en het is wél netjes gemeten.
De soort heeft een echte fase ná de voortplanting. In het verouderingsonderzoek van Reznick, Bryant en Holmes besloeg die fase een mediaan van 6,4 procent en een gemiddelde van 13,6 procent van de totale levensduur, met een spreiding van nul tot zesenzeventig procent [gemeten]. Bij ongeveer zestig procent van de dieren duurde die fase langer dan het negentigste percentiel van hun eigen worpintervallen; zo hebben de onderzoekers "aantoonbaar" gedefinieerd [gemeten].
Reken dat om, want een percentage van een onbekend totaal is onbruikbaar. Bij een dier dat een jaar wordt is de mediaan nog geen maand en het gemiddelde ruim anderhalve maand. Alleen in de uitschieters loopt het naar driekwart van het leven op.
Krijgt jouw vrouwtje al maanden niets, kijk dan eerst naar iets veel gewoners dan ouderdom. Zit er nog een mannetje in de bak, en zo nee, hoe lang al niet? Een vrouwtje zonder man werpt nog een hele tijd door op opgeslagen sperma en houdt dan op. Dat is geen ziekte en geen ouderdom. Pas als dat het niet is, kijk je naar water en conditie.
Uit datzelfde onderzoek komt een uitkomst die tegen de intuïtie in gaat. Dieren uit stromen met veel roofvissen werden jónger volwassen en investeerden méér in voortplanting, precies het profiel waarvan de klassieke verouderingstheorie een korter leven voorspelt. In het laboratorium leefden ze juist lánger, met een langere voortplantingsfase, en de fase na de voortplanting verschilde niet tussen de populaties [gemeten]. In de Nature-publicatie van dezelfde groep uit 2004 gold dat niet voor alles: op zwemprestatie, die de neuromusculaire functie meet, zagen ze wél vroegere veroudering. Dat noemen de auteurs zelf een mozaïekpatroon [gemeten].
Dat spreekt de veertig tegen veertien maanden niet tegen, al lijkt dat zo. Dat cijfer gaat over dieren die wel of geen worpen kregen; hier worden populaties vergeleken die zich over vele generaties aan een andere sterftedruk hebben aangepast. Het eerste zegt iets over jouw vrouwtje, het tweede over evolutie.
Ze ging dood vlak nadat ze jongen kreeg
Dat is een van de meest gestelde vragen over deze soort, en er is geen onderzoek dat er rechtstreeks antwoord op geeft. Wat er wel is, is dit.
In dezelfde reeks kwam het gewoon voor: de onderzoekers beschrijven een vrouwtje dat onregelmatig wierp en een paar dagen na haar laatste worp doodging [gemeten]. De dieren wierpen in die proef om de 22 tot 35 dagen, en per groep kwam het gemiddelde uit tussen vijftien en achtentwintig worpen per vrouwtje; tussen individuele dieren liep het van twee tot drieënveertig worpen [gemeten, Reznick e.a. 2004/2006; de individuele spreiding via Walstad 2022]. Een dier dat om de maand bevalt en een jaar of anderhalf leeft, gaat rekenkundig gezien vaak binnen een paar weken ná een worp dood. Dat is een kalender, geen doodsoorzaak.
Er wordt een mechanisme bij genoemd dat op het ene punt netjes gemeten is en op het beslissende punt niet. Dat verdient uit elkaar getrokken te worden, want het wordt doorgegeven alsof het één geheel is.
Aan de paringsvin van het mannetje zit een klauwtje. Wat dat klauwtje doet, is getest. Onderzoekers vergeleken normale mannetjes met chirurgisch ontklauwde mannetjes, bij vrouwtjes die wilden paren en bij vrouwtjes die dat niet wilden. Bij de onwillige vrouwtjes brachten de mannetjes mét klauwtje tot drie keer zoveel sperma over; bij de willige maakte het klauwtje niets uit [gemeten, Kwan e.a. 2013, abstract].
De stap daarna komt uit een overzichtshoofdstuk en niet uit een proef: dat het klauwtje tijdens de paring in de geslachtsopening grijpt en daarbij weefsel kan scheuren, waardoor bacteriën binnenkomen [literatuurrichtlijn, Greven 2005, hier niet geopend]. Walstad haalt die twee samen aan als verklaring voor de problemen die hobbyisten juist bij vrouwtjes zien. Wie het naleest moet op één verwijzing letten die niet klopt: bij haar grijp-zin staat bronnummer 19, en dat is in haar eigen lijst een studie aan fruitvliegen. Het guppenstuk staat op nummer 20.
En de laatste stap ontbreekt helemaal. Dat dit in een huiskamerbak de doodsoorzaak van een vrouwtje is, is nooit vastgesteld [hiaat].
Praktisch: één vrouwtje dat kort na een worp doodgaat en verder een normale bak achterlaat, is meestal geen alarm. Twee of drie in korte tijd is dat wel. Dan kijk je naar de andere oorzaken van uitval, en naar hoeveel mannen er op één vrouw zitten.
Warmer water kost overleving, maar een levensduurvergelijking is er niet
Onder een Nederlands hobbyartikel schrijft een lezer de vuistregel op: hoe warmer je stookt, hoe korter ze leven, want de cyclus wordt versneld. Zonder bron. Er is inmiddels wel een meting, en die zegt iets preciezers.
Een Australische groep hield vrouwtjes hun hele leven op 24,4 of 27,8 graden en volgde ze zestien weken vanaf hun eerste paring, twee weken na het volwassen worden. Bij de hoge temperatuur gingen 43 van de 107 vrouwtjes dood, tegen 1 van de 109 bij de lage [gemeten, Chung e.a. 2026]. Die twee groepen tellen samen op tot 216 terwijl de proef met 217 volwassen vrouwtjes begon; dat ene dier verschil legt de publicatie niet uit. En 27,8 graden is geen normale huiskamerbak: LICG adviseert 23 tot 25 [literatuurrichtlijn]. Dit is dus het verschil tussen een bak op het advies en een bak die er bijna drie graden boven staat. De volledige weging staat bij de temperatuur voor guppen.
Metingen die de andere kant op lijken te wijzen, meten iets anders dan levensduur. De beste jongenproductie ligt rond 25 tot 27 graden [gemeten, Dzikowski e.a. 2001, abstract]. En een Colombiaanse groep mat lengte, geboorten en sterfte bij 24, 28 en 30 graden en goot dat in zes differentiaalvergelijkingen met een populatieprojectie [gemeten plus modelberekening, Campos Gómez e.a. 2024]; wélke van die drie standen daarin het hoogst uitkwam, is in de bereikbare samenvatting niet te lezen [hiaat]. Dat gaat over kweekopbrengst en over hoe hard een populatie groeit, en niet over hoe lang één dier leeft. Voor het lot van de moeders is er maar één rechtstreekse proef, en die wijst omlaag.
En dan wat er níet staat. Niemand heeft deze soort bij twee of meer constante temperaturen tot de laatste dode geteld. De proef hierboven meet volwassen sterfte over zestien weken, geen levensduur [hiaat]. Of 24 graden langer leven geeft dan 26 is nooit gemeten, en overleving ónder de adviesband evenmin [hiaat]. Dat is precies de reden om binnen die band te blijven en er niet boven te gaan zitten, in plaats van zo laag mogelijk te stoken.
Mannetjes gaan eerder dood, en dat is slechter gemeten dan het lijkt
Van de Nederlandse hobbypagina's die wij vergeleken, noemen er twee man en vrouw apart, en ze zijn het niet met elkaar eens. Tropischevissengids geeft de vrouw maximaal vijf jaar, meestal twee tot drie, en de man ongeveer een jaar. Aquariumfans geeft de vrouw tot twee jaar en de man zes tot twaalf maanden. Geen van beide legt uit waar het verschil vandaan komt, en geen van beide koppelt er een bron aan [praktijkregel]. Wikipedia NL doet het als derde, met 3 à 4 maanden voor de man [doorgegeven persberichtgetal], en juist daar zit het verschil: die pagina zet er wél een voetnoot bij, en die is te volgen tot het persbericht hierboven.
De richting klopt met alles wat wél gemeten is. In Comforts bakken was op ruim vier jaar geen enkel mannetje meer over terwijl een achtste van de vrouwtjes nog leefde. In het veldonderzoek is het verschil nog groter: drie maanden tegen vijftien [gemeten]. En Walstad zag haar mannen op vier tot vijf maanden gaan terwijl de vrouwtjes doorliepen [praktijkregel — één kweker, eigen bakken].
Dan de eerlijke helft. Comforts dieren zaten gescheiden en plantten zich niet voort. En het veldonderzoek meet iets anders dan een leeftijd: 76 gemerkte dieren, 38 mannen en 38 vrouwen, werden in maart 2008 losgelaten in een beektraject van honderd meter tussen twee watervallen waar tot dan toe geen guppen zaten [gemeten — opzet van de studie, geen uitkomst]. De onderzoekers schrijven er zelf bij dat de eerste twee maanden een lage overleving lieten zien, waarschijnlijk door de stress van dat verhuizen. Waaróm de mannen daar zoveel korter leven staat er niet in. Wat er wél staat is een seizoenspatroon: de mannensterfte piekt in de natste maanden, juli tot november, terwijl de overleving van de voortplantende vrouwtjes het jaar rond stabiel blijft [gemeten]. Een verklaring is dat niet.
Wat ontbreekt is heel precies te benoemen: een moderne reeks waarin mannetjes die zich gewoon voortplanten tot de laatste dode geteld worden. Comfort deed dat in 1961 wél, maar aan maagdelijke dieren in gescheiden bakken; Reznick telde alleen vrouwtjes [hiaat].
Voor je eigen bak komt het hier op neer. Alles wat er ligt wijst dezelfde kant op, dus reken bij mannen op de onderkant van de half-tot-twee-jaarband en bij vrouwen op de bovenkant [praktijkregel]. Hoe groot dat verschil in een huiskamerbak precies is, heeft niemand ooit geteld [hiaat].
De kweeklijn is de knop die je niet terug kunt draaien, en de slechtst gemeten
Het scherpste materiaal over herkomst komt van een kweker die het zelf bijhield. Ze bracht de levensduur van haar eigen dieren van ongeveer zes maanden in 2017 naar ongeveer twaalf in 2022, door bij het selecteren ook mee te wegen wie er lang bleef leven, naast kleur en normale voortplanting. Ze noemt dat zelf een verdubbeling van het generatie-interval, en schrijft er uitdrukkelijk bij dat ze niet uitsluitend op levensduur selecteerde [praktijkregel — één kweker, eigen bakken, geen controlegroep].
Zij is ook de bron van het verhaal dat het vroeger beter was: haar stuk opent met de opgave dat de soort in de jaren vijftig twee tot vijf jaar leefde, met een verwijzing naar Comfort [praktijkregel]. Die vergelijking is minder recht dan hij oogt. Comforts vijf jaar zijn gehaald door maagdelijk gehouden vrouwtjes in gescheiden laboratoriumbakken, en dat is geen huiskamerbak met mannen erin. Een nette vergelijking tussen toen en nu bestaat niet [hiaat].
Ze onderbouwt haar verklaring met een Noorse proef waarin over tien generaties laboratoriumkweek de overleving tot twaalf maanden zakte van 97 naar 87 procent [gemeten in 2011, via Walstad 2022; de volledige tekst is niet vrij toegankelijk]. Haar lezing is dat het komt doordat er alleen met de eerste worpen werd doorgekweekt. De samenvatting van dat onderzoek draagt die lezing niet. Het was een inteelt- en zuiveringsexperiment: na tien generaties lag de inteeltcoëfficiënt op 0,56 in de inteeltlijnen tegen 0,16 in de gelijktijdig meelopende controlelijnen, de inteeltschade in worpgrootte en jongenoverleving nám de eerste vier tot zes generaties toe en daalde daarna weer, precies zoals je verwacht als schadelijke varianten worden uitgezuiverd, en zes van de inteeltpopulaties gingen helemaal verloren [gemeten]. Dat is geen verhaal van gestage achteruitgang door tien generaties labkweek. En of die 97 en 87 procent bij de inteeltlijnen of bij de controlelijnen horen, is uit de samenvatting niet op te maken, terwijl juist dat beslist wat het getal hier waard is [hiaat].
Onder kwekers loopt daarnaast de overtuiging dat zwaardstaartlijnen langer meegaan dan deltalijnen, omdat een zware staart een ouder mannetje in de weg zit. Die gaat terug op een forumdiscussie uit oktober 2018; er getallen bij noemen zou haar zwaarder maken dan ze is [praktijkregel].
En de grens van wat we weten: er is géén gecontroleerd onderzoek dat de sterfte van kweekvormen tegen die van wildvormen afzet [hiaat]. Dat dieren uit massakweek het slechter doen, rust op naslagbronnen, op gemeten inteeltschade bij losse eigenschappen en op waarnemingen zoals deze. Het best gemeten effect in dit artikel is nog altijd de temperatuur.
Wat je er wél mee doet, is bij de aanschaf van guppen drie dingen vragen. Uit welke worp komt dit dier, hoe oud waren de ouders toen ze die worp kregen, en hoe lang draait deze lijn al. Wie daar antwoord op geeft, selecteert waarschijnlijk niet alleen op de eerste worp van het jongste vrouwtje. In Nederland vind je zulke lijnen bij de leden en op de bijeenkomsten van Poecilia Nederland, de vereniging voor levendbarenden, en niet in een verkoopbak vol dieren van één leverancier. Dat is precies wat de herkomst zo bepalend maakt; je zet hem vast op de dag dat je koopt. Hoe je een lijn daarna in de hand houdt, staat bij de kweeklijn van guppen.
Zijn leeftijd lees je niet af, maar aan de groep zie je wanneer het kantelt
Bij een jong dier kun je nog dateren. Zolang een mannetje zijn paringsvin nog niet heeft uitgevormd en nog niet is uitgekleurd, zit hij onder de rijpheid, en AnAge zet die voor een mannetje op 74 dagen [literatuurrichtlijn]. Ruwweg de eerste drie maanden zijn dus af te lezen. Daarna houdt het op: er is geen kenmerk waaraan je de leeftijd van een volwassen dier afleest [hiaat]. En bij een winkelvis is die hele periode al voorbij voordat jij hem in huis hebt.
Wat je wél hebt, is een waarneming van dezelfde kweker: pas rond acht maanden wordt zichtbaar wie er sterk is. Dan zijn de eerste dieren al weg, zijn sommige groter geworden dan hun broers en zussen, en verliezen sommige mannen hun energie en hun baltsgedrag [praktijkregel — dezelfde kweker, eigen bakken].
Verliest een ouder mannetje vinweefsel, dan blijft de volgorde precies dezelfde als bij een jong dier: eerst het water meten, dan de herkomst, en dan pas een beeld. Wat er dan aan de hand kan zijn, staat bij vinrot. Diezelfde kweker las het bij haar eigen mannetje van zeven maanden als vroege veroudering met slechte doorbloeding en verminderde weerstand [praktijkregel — één waarneming, eigen bakken]. Dat is één vis, en geen reden om de meetstrip over te slaan.
Twee getallen uit AnAge zijn bruikbaar zonder een vis te vangen. De intrinsieke sterftekans staat er op 0,07 per jaar, en de verdubbelingstijd van die sterftekans op 0,8 jaar [afgeleide maten van AnAge; welke sterftetabel eronder ligt, staat er niet bij]. Dat is dezelfde pagina die zijn vijf jaar uit FishBase overschreef, dus lees hem met dezelfde ogen. Wat die tweede maat zegt: de kans dat een dier doodgaat verdubbelt ongeveer elke tien maanden. Daarom dunt een groep niet netjes geleidelijk uit maar loopt hij op een gegeven moment vrij snel leeg. Dat spreekt de vuistregel hierboven niet tegen: ouderdom haalt er meerdere weg, maar over maanden en bij de oudste dieren, niet in één week en niet dwars door de jongen heen.
En het dier zelf? AnAge noteert geleidelijke veroudering met veroudering van de voortplanting, maar geen weefselbeeld, en over de stofwisseling staat er letterlijk dat er niets bekend is [hiaat]. In een laboratorium is leeftijd wél te benaderen: bij vier soorten uit dezelfde familie liep de opeenhoping van fluorescerend ouderdomspigment in hersenweefsel evenredig met de kalenderleeftijd [gemeten — alleen de samenvatting gelezen; welke vier soorten dat waren staat daar niet in]. Wat ontbreekt is een kenmerk waar een hobbyist iets aan heeft, want een hersensnede is geen optie.
Wat je vandaag nog kunt doen, en in welke volgorde
- Zet de verwarmer op 24 graden [literatuurrichtlijn] en niet op 27 of 28. Dit is het best gemeten verband in dit hele artikel.
- Hou de bak op orde. Hoeveel dieren erin zwemmen bepaalt hoeveel werk de rest is; dat rekenwerk staat bij de guppenbezetting.
- Eén man op twee tot vijf vrouwen [literatuurrichtlijn], zodat het opjagen bij guppen niet de hele dag doorgaat.
- Kijk pas naar ouderdom als de rest klopt. Meerdere dode dieren in één week is nooit een leeftijdsverhaal.
- En voor de volgende keer: zet de herkomst vast op de dag dat je koopt. Dit is de enige knop die je achteraf niet meer kunt omzetten, en daarom staat hij hier onderaan en niet bovenaan.
Eerlijk erbij: voor de punten twee en drie bestaat bij deze soort geen levensduurmeting [hiaat]. Ze zijn goed onderbouwd voor welzijn en voor uitval, maar niemand heeft ooit twee groepen op verschillende drukte gezet en tot de laatste dode geteld.
Waarom we het zo precies weten en het antwoord toch niet hebben
De gup is een modelorganisme in de evolutiebiologie. In Trinidad liggen stromen waar de roofvisdruk boven en onder een waterval verschilt, en dat maakt de soort tot een natuurlijk laboratorium voor de vraag hoe veroudering evolueert.
Daar komen de precieze cijfers vandaan: de fase na de voortplanting tot op de decimaal, de verdubbelingstijd van de sterftekans, de spreiding van 151 tot 1.464 dagen. Wat er niet vandaan komt, is het antwoord op "hoe oud wordt die van mij". Dat is nooit de onderzoeksvraag geweest [hiaat].
Onthoud dus drie getallen, en bij elk waar het vandaan komt. Een half tot twee jaar is wat je hier mag verwachten, en dat is een houderijadvies. 2,3 jaar is het gemiddelde van 226 vrouwtjes uit wilde lijnen die zich voortplantten, in een laboratorium. Vijf jaar is gehaald door maagdelijk gehouden vrouwtjes, ook in een laboratorium, in 1961. Het verschil daartussen zit in drie dingen: waar je dier vandaan komt, hoe warm je stookt, en of ze blijft werpen. Van die drie is de temperatuur het best gemeten en de herkomst het minst omkeerbaar. Dat is geen ontwijkend antwoord. Dat is het antwoord.


